:: wikimiki.org ::
| Smalle Raai |
Smalle raai
Smalle raai (Galeopsis angustifolia syn. Galeopsis ladanum) behoort tot de Lipbloemenfamilie.
De plant kan 7 tot 50 cm hoog worden. De stengel is bezet met zachte haren en onder de knopen niet of weinig verdikt. De bladeren zijn langwerpig tot lancetvormig en hebben een gave rand of 1 tot 4 paar weinig uitstekende kartelranden.
De plant bloeit van juni tot in de herfst met paarse, 16 tot 20 (28) mm lange, bloemen gerangschikt in een schijnkrans. Op de onderlip zit een gele vlek en de bovenlip is zwak getand.
Smalle raai komt voor op akkerland en langs spoorwegen.
Smalle raai staat op de Nederlandse en Belgische Rode lijst van planten als zeer zeldzaam.
categorie:Plant
Lipbloemenfamilie
De lipbloemenfamilie (Labiatae of Lamiaceae: beide zijn toegestaan) vormt een grote plantenfamilie met veel soorten, verdeeld in ongeveer 235 geslachten en meer dan 7.000 soorten. De familie dankt zijn naam aan de typische vorm van de kroonbladen, die samengegroeid zijn tot een boven- en onderlip.
Hieronder zijn er veelgebruikte keukenkruiden zoals tijm, munt, basilicum, marjolein, oregano, salie en rozemarijn. Sommigen zijn struiken, maar zelden bomen of klimplanten.
De bladeren van de familie bevatten aromatische oliën en staan paarsgewijs tegenover elkaar, ieder paar kruislings ten opzichte van het vorige paar.
De bloemen zijn bilateraal symmetrisch met 5 samengegroeide kroonblaadjes en 5 samengegroeide kelkblaadjes. De bloemen staan in schijnkransen.
Veel soorten hebben vierkante stengels.
Geslachten
De volgende geslachten en soorten zijn op de Wikipedia beschreven:
- Geslacht: Andoorn (Stachys)
- Soort: Betonie (Stachys officinalis)
- Soort: Bosandoorn (Stachys sylvatica)
- Soort: Moerasandoorn (Stachys palustris)
- Geslacht: Brunel (Prunella)
- Soort: Gewone brunel (Prunella vulgaris)
- Geslacht: Dovenetel (Lamium)
- Soort: Gevlekte dovenetel (Lamium maculatum)
- Soort: Paarse dovenetel (Lamium purpureum)
- Soort: Witte dovenetel (Lamium album)
- Geslacht: Gamander (Teucrium)
- Soort: Berggamander (Teucrium montanum)
- Soort: Echte gamander (Teucrium chamaedrys subsp. germanicum)
- Geslacht: Glechoma
- Soort: Hondsdraf (Glechoma hederacea)
- Geslacht: Hennepnetel (Galeopsis)
- Soort: Gewone hennepnetel (Galeopsis tetrahit)
- Soort: Smalle raai (Galeopsis angustifolia)
- Geslacht: Lamiastrum
- Soort: Bonte gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon 'Florentinum')
- Soort: Gele dovenetel (Lamiastrum galeobdolon)
- Geslacht: Lavendel (Lavandula)
- Geslacht: Lycopus
- Soort: Wolfspoot (Lycopus europaeus)
- Geslacht: Marjolein (Origanum)
- Soort: Marjolein (Origanum majorana)
- Soort: Oregano (Origanum vulgare)
- Geslacht: Melissa
- Soort: Citroenmelisse (Melissa officinalis)
- Geslacht: Munt (Mentha)
- Soort: Watermunt (Mentha aquatica)
- Soort: Pepermunt (Mentha × piperita)
- Geslacht: Ocimum
- Geslacht: Rosmarinus
- Soort: Rozemarijn ((Rosmarinus officinalis)
- Geslacht: Salie (Salvia)
- Soort: Veldsalie (Salvia pratensis)
- Geslacht: Siernetel (Coleus)
- Geslacht: Steentijm (Clinopodium)
- Soort: Kleine steentijm (Satureja acinos)
- Geslacht: Tijm (Thymus)
- Soort: Kleine tijm (Thymus serpyllum)
- Geslacht: Zenegroen (Ajuga)
- Soort: Heidezenegroen (Ajuga genevensis)
In Nederland komen verder nog de volgende geslachten voor:
- Ballote (Ballota)
- Glidkruid (Scutellaria)
- Hyssopus
- Kattekruid (Nepeta)
- Lamiastrum
- Leonurus
- Marrubium
- Satureja
Overige geslachten (niet compleet):
- Acanthomintha
- Achyrospermum
- Acinos
- Acrocephalus
- Acrotome
- Acrymia
- Aeollanthus
- Agastache
- Ajugoides
- Alajja
- Alvesia
- Amethystea
- Anisochilus
- Anisomeles
- Antonina
- Asterohyptis
- Basilicum (genus)
- Becium
- Benguellia
- Blephilia
- Bostrychanthera
- Bovonia
- Brazoria
- Bystropogon
- Calamintha
- Capitanopsis
- Capitanya
- Catoferia
- Cedronella
- Ceratanthus
- Chamaesphacos
- Chaunostoma
- Chelonopsis
- Cleonia
- Colebrookia
- Collinsonia
- Colquhounia
- Comanthosphace
- Conradina
- Craniotome
- Cuminia
- Cunila
- Cyclotrichium
- Cymaria
- Dauphinea
- Dicerandra
- Dorystaechas
- Dracocephalum
- Drepanocaryum
- Eichlerago
- Elsholtzia
- Endostemon
- Englerastrum
- Eremostachys
- Eriope
- Eriiophyton
- Eriopidion
- Eriothymus
- Erythrochlamys
- Eurysolen
- Fuerstia
- Geniosporum
- Glechon
- Gomphostemma
- Gontscharovia
- Hanceola
- Haplostachys
- Haumaniastrum
- Hedeoma
- Hemiandra
- Hemigenia
- Hemizygia
- Hesperozygis
- Heterolamium
- Hoehnea
- Holocheila
- Holostylon
- Horminium
- Hoslundia
- Hymenocrater
- Hypenia
- Hypogomphia
- Hyptidendron
- Hyptis
- Isodictyophorus
- Isodon
- Isoleucas
- Keiskea
- Kinostemon
- Kudrjaschevia
- Kurzamra
- Lagochilus
- Lagopsis
- Lallemantia
- Lamiophlomis
- Leocus
- Leonotis
- Lepechinia
- Leucas
- Leucosceptrum
- Limniboza
- Lophanthus
- Loxocalyx
- Macbridea
- Marmoritis
- Marsypianthes
- Meehania
- Melittis
- Meriandra
- Mesona
- Metastachydium
- Microcorys
- Micromeria
- Microtoena
- Minthostachys
- Moluccella
- Monarda
- Monardella
- Mosla
- Neoeplingia
- Neohyptis
- Neustruevia
- Nosema
- Notochaete
- Octomeron
- Ombrocharis
- Orthosiphon
- Otostegia
- Panzerina
- Paraeremostachys
- Paralamium
- Paraphlomis
- Peltodon
- Pentapleura
- Perilla
- Perovskia
- Perrierastrum
- Phlomis
- Phlomoides
- Phyllostegia
- Physostegia
- Piloblephis
- Pitardia
- Platostoma
- Plectranthus
- Pogogyne
- Pogostemon
- Poliomintha
- Prasium
- Prostanthera
- Pseuderemostachys
- Puntia
- Pycnanthemum
- Pycnostachys
- Renschia
- Rhabdocaulon
- Raphidion
- Rhododon
- Rostrinucula
- Roylea
- Rubiteucris
- Sabaudia
- Saccocalyx
- Schizonepeta
- Sideritis
- Siphocranion
- Skapanthus
- Solenostemon
- Stachyopsis
- Stenogyne
- Sulaimania
- Suzukia
- Symphostemon
- Synandra
- Syncolostemon
- Tetradenia
- Thorncroftia
- Thuspeinanta
- Thymbra
- Thymus (genus)
- Tinnea
- Trichostema
- Wenchengia
- Westringia
- Wiedemannia
- Wrixonia
- Zataria
- Zhumeria
- Ziziphora
Categorie:Lamiales
Categorie:Plantenfamilie
ja:シソ科
StengelDe stengel geeft aan de plant stevigheid en zorgt voor transport van water, mineralen en assimilaten. Daarnaast zorgt de stengel voor de groei van de plant zowel door groei in de lengte als in de dikte.
Algemeen
Een plantenstengel bestaat uit leden (internodiën) en knopen (nodiën). De knopen zijn vaak verdikt. Op de knopen van de stengel zitten de bladeren. Bij houtachtige gewassen zijn de twijgen bedekt met een kurklaagje. Daarom zitten op het oppervlak van deze twijgen lenticellen, vergelijkbaar met huidmondjes bij bladeren, waardoor gasuitwisseling door de kurklaag heen toch mogelijk is. Ook kunnen er klieren op de stengel voorkomen, zoals bij reuzenbalsemien en vlier.
Aan de top van de stengel zit een groeipunt, dat bij kruidachtige planten in de vegetatieve fase van de plant bladeren vormt en in de generatieve fase bloemen. Bij houtachtige gewassen, zoals appel en peer, zijn zowel bladknoppen (vegetatieve knoppen) als bloemknoppen (generatieve knoppen) aanwezig. In de oksels van de bladeren en aan het eind van de stengel zitten één of meer knoppen, die scheuten (nieuwe stengels met bladeren of bloemen) kunnen vormen. Zijn deze knoppen verdwenen of zwaar beschadigd dan kunnen uit zogenaamde slapende (adventief) knoppen weer nieuwe scheuten ontstaan. De stengel kan al of niet vertakt zijn.
De onderkant van de stengel gaat over in de wortel.
Soms is het moeilijk te zien of het een stengel of een wortel is. Wortels hebben echter nooit knopen. Stengels hebben altijd knopen met of zonder bladeren. Als er geen bladeren aanzitten zijn de bladlidtekens nogwel te zien.
Een stengel kan kruidachtig of verhout zijn. Bij bomen is de stam eigenlijk een sterk verhoute stengel met een sterke diktegroei.
Klim- en slingerplanten gebruiken hun stengels om in andere planten of ergens anders tegenaan te klimmen.
Bij boon komen bijvoorbeeld twee soorten rassen voor, namelijk die een korte stengel (stambonen) vormen en die ranken (stokbonen) vormen.
stokbonen
Bij kieming ontwikkelt zich uit het zaad een plant. Het stengeldeel onder de zaadlobben wordt hypocotyl genoemd en het stengeldeel boven de zaadlobben epicotyl. Bij eenzaadlobbigen of monocotylen heet het onderste stengeldeel halmheffer, dat ervoor zorgt dat de kiemplant op de goede hoogte boven de grond komt. Bij dieper zaaien wordt de halmheffer langer. Bij knolgewassen, zoals koolrabi en koolraap, is het hypocotyl sterk verdikt.
Anatomie
koolraapDe anatomie bestudeert de inwendige bouw van de plant. Bij eenzaadlobbigen of monocotylen komen de vaatbundels verspreid in de stengel voor. Hierdoor is geen secundaire diktegroei mogelijk. Bij tweezaadlobbigen of dicotylen zijn de vaatbundels ringvormig gerangschikt, waardoor secundaire dikte groei kan optreden. Bomen behoren dus altijd tot de tweezaadlobbigen. Op de foto bestaat de lichter gekleurde ring uit de vaatbundels. Bastvaten (floeem) vervoeren assimilatieproducten, met name suiker, en de houtvaten (xyleem) vervoeren water met daarin opgeloste voedingsstoffen. Alles wat binnen de ring van de vaatbundels ligt, noemt men het merg van de stengel en bestaat uit parenchym. Aan de buitenkant van de stengel bevindt zich de opperhuid (epidermis).
Vorm
parenchym
parenchym
De stengel kan rond, hoekig en geribd, gevleugeld of glad zijn. Ook kan de stengel al of niet behaard zijn en kunnen er stekels of doornen aan de stengel zitten. Een stekel, zoals bij braam, is een kegelvormig uitgroeisel van de opperhuid en is niet verbonden met het inwendige van de stengel of tak. Een doorn, zoals bij berberis, zit in de plaats van een blad (bladdoorn) of zoals bij meidoorn, een tak (takdoorn) en is verbonden met het inwendige van de stengel.
De stengel kan zeer lang tot zeer kort zijn. Bij een zeer korte stengel wordt van een bladrozet gesproken.
De stengel kan zeer dun (ranken) tot vele meters dik zijn. Vlezige stengels, zoals bij asperge, worden als voedsel gebruikt. Bij cactussen wordt in het parenchymatisch weefsel van de verdikte stengel water opgeslagen.
De stengelleden kunnen gevuld of hol zijn. De knopen zijn altijd massief. Een voorbeeld van een plantensoort met holle stengelleden is riet, witte dovenetel en kalmoes. Solitaire bijen leggen hun eitjes in afgestorven holle stengels. Van de stengel van kalmoes kan een fluitje gemaakt worden door de stengel onder twee knopen door te snijden en net boven de knoop met een scheermesje een kleine snede in de lengte richting te maken.
De stengel kan rechtop staan, maar ook kruipend zijn.
Wortelstok
bijen
Er komen ook ondergrondse stengels voor. Wortelstokken (rizomen) zijn ondergrondse, meestal horizontaal lopende, al of niet opgezwollen stengels. Er zijn enkele zeer hardnekkige onkruiden met wortelstokken zoals kweek en brandnetel.
Uitloper
brandnetel Bij sommige plantensoorten, zoals aardbei, komen uitlopers voor. Aan het eind van de uitloper wordt weer een plant gevormd.
Schijnstam
Bij palmen is er sprake van een schijnstam, omdat deze stam geen stengel is maar bestaat uit op elkaar gestapelde bladvoeten.
Groeiwijze
De groeiwijze kan monopodiaal of sympodiaal zijn.
Bij een monopodiale groeiwijze wordt de stengel (stam) uit hetzelfde groeipunt (meristeem) gevormd en blijft het dezelfde richting uitgroeien, zoals de stam van de meeste naaldbomen.
Een sympodiale groeiwijze ontstaat doordat verschillende meristemen een beperkte groei hebben en telkens vervangen worden door een meristeem van een hogere (vertakkings)orde. Een voorbeeld hiervan is de stengel bij tomaat en de rizomen bij kweek.
Bij grassen en granen worden spruiten gevormd. Door uitstoeling kan een plant uit vele spruiten bestaan. Een spruit bestaat uit dicht bij elkaar liggende knopen (knopenstapel), bladscheden en bladschijven. De bladscheden zorgen ervoor dat de spruit rechtop kan blijven staan. Bij het generatief worden van de spruit schuift de knopenstapel uit elkaar.
Bloeistengel
Een bloeistengel wordt gevormd op het moment dat het groeipunt overgaat van vegetatief naar generatief. Een bloeistengel kan één of meer bloemen dragen. Bij planten met een bladrozet wordt een aparte bloeistengel gevormd. Bij grasachtigen, zoals gras en maïs, schuiven de knopen uit elkaar door verlenging van de stengelleden en vormen zo een bloeistengel.
Stengelknol
maïsStengels zijn soms met reservevoedsel gevuld en worden dan stengelknollen genoemd. De ondergrondse stengel bij aardappel heet een stolon. Aan het eind van een stolon wordt de stengelknol, de aardappel, gevormd. De ogen op de aardappelknol zijn de knoppen van de stengel. De aardappelknol heeft een zogenaamde kiemrust d.w.z. dat een aardappelknol niet eerder uitloopt en nieuwe stengels vormt dan wanneer de kiemrust doorbroken is. Begin januari is de kiemrust doorbroken en kan de aardappel uitlopen. In het donker bewaarde aardappelen vormen dan door etiolementsgroei lange witte stengels en wortels.
Bij andere knolgewassen, zoals koolrabi en knolraap, is het hypocotyl sterk verdikt en zit de knol bovengronds. Bij de krokus zit de verdikte hypocotyl onder de grond en wordt hij omgeven met een vlies.
Bol
Bij bolgewassen, zoals tulp en narcis, bestaat de bol uit een schijf met rokken. De schijf is een verdikte en verbrede stengel. De rokken zijn verdikte bladeren.
Klim- en slingerplanten
Er zijn planten die hun stengels ergens omheen winden, zoals bij Hop en stokboon of zich met hun stengels ergens aan vast hechten met behulp van hechtwortels of hechtnapjes. Klimop gebruikt beide mogelijkheden.
De slingerende zoekbeweging van de stengeltop ontstaat doordat de ene kant van de stengel harder groeit dan de andere kant. Zodra de stengeltop ergens tegen aan komt, slingert de stengel zich er omheen en groeit daarlangs verder.
Stengelbewegingen
Bij legering door harde wind of regen kunnen de stengels zich weer op een knoop oprichten, doordat de cellen aan de onderkant van de knoop zich strekken.
Sommige plantensoorten, zoals hop draaien hun stengels ergens linksom heen, maar er zijn er ook, zoals stokboon, die rechtsomdraaien.
Beworteling
Planten kunnen vegetatief vermeerderd worden door middel van stengel- en scheutstek. Als stengels op de grond liggen kunnen bij sommige plantensoorten zich op de knopen wortels vormen. Wortels die uit een stengel ontstaan worden adventief wortels genoemd.
Stengelaantastingen
Wortels
Er zijn verschillende schimmels, zoals voetziekten bij granen die de stengel kunnen aantasten.
Insecten, zoals de stengelboorder bij maïs vreten binnenin de stengel. De top van de stengel is een geliefde plaats voor insecten die uit de stengel voedsel opzuigen (bladluis). Zoals de zwarte bonenluis bij tuinboon.
Signatuurleer
Een behaarde stengel geeft aan dat het kruid werkzaam is op huid, haren en slijmvliezen.
Is de stengel rond, dan is de werking verzachtend en harmoniserend. Is de stengel hoekig en vierkant dan geeft het kruid weerstand en stevigheid.
Een holle stengel komt overeen met de slokdarm en de luchtpijp.
Externe link
http://biologi.uio.no/plfys/haa/anatomi/mikro.htm : anatomische doorsneden van stengels
Categorie:plantenanatomie
Categorie:Plantenmorfologie
BladvormBladeren van kruidachtige planten, loofbomen en naaldbomen hebben verschillende vormen, die betrekking hebben op de oppervlakte, bladrand, bladtop, bladvoet, mate van insnijding, nervatuur en samengesteldheid van het blad.
Bladoppervlak
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- rond
- ovaal (elliptisch): lengte 1,1 tot 2,0 maal de breedte
- langwerpig: lengte 2,1 tot 3,0 maal de breedte
- lancetvormig: lengte 3,1 tot 5,0 maal de breedte
- lijnlancetvormig: lengte 5,1 tot 10 maal de breedte
- lijnvormig: lang en smal;lengte meer dan 10 maal de breedte
- zwaardvormig: lijnvormig maar op doorsnede ruitvormig
- naaldvormig: zeer smal, stevig (weinig buigzaam) en puntig; een naald kan rond, plat, driehoekig of vierhoekig zijn.
- draadvormig: lang, dun, buigzaam en op doorsnede rond
- eirond: lengte 1,5 tot 2 maal de grootste breedte; grootste breedte onder het midden
- omgekeerd eirond: lengte 1,5 tot 2 maal de grootste breedte; grootste breedte boven het midden
- spatelvormig: het brede deel aan de top, geleidelijk versmald in de steel
- pijlvormig: twee naar beneden wijzende spitse slippen aan de voet
- spiesvormig: twee horizontale slippen aan de voet
- hartvormig: hartvormige insnijding aan de voet
- omgekeerd hartvormig: hartvormige insnijding aan de top
- ruitvormig: een punt gaat over in de bladsteel
- driehoekig: gelijkbenige driehoek; als een punt overgaat in de bladsteel wordt ook wel van wig gesproken
- niervormig: boven afgerond en stompe lobben aan de voet
- schildvormig: ronde bladschijf, waarbij de bladsteel in het midden van de bladschijf zit
- liervormig
- gegolfd bladoppervlak
- gebobbeld bladoppervlak
- kroezig bladoppervlak
Image:Rundblaettriger Sonnentau tse2004.jpg|ronde bladeren van ronde zonnedauw
Image:Carob tree leaf.JPG|ovaal blad van de Johannesbroodboom
Image:Smalle weegbree blad Plantago lanceolata.jpg|lijnlancetvormig blad van smalle weegbree
Afbeelding:Blad_van_monocotyl_Suikermais.jpg|lijnvormige bladeren van suikermaïs
Afbeelding:Spar naalden.jpg|platte naaldvormige bladeren van de fijnspar
Image:Melganzenvoet eivormige bladeren Chenopodium album.jpg|breed eironde bladeren van melganzenvoet
Image:Amandelwolfsmelk blad Euphorbia amygdaloides.jpg|spatelvormig blad van amandelwolfsmelk
Afbeelding:pijlkruid2.jpg|pijlvormig blad van pijlkruid
Image:Schapenzuring blad Rumex acetosella.jpg|spiesvormig blad van schapenzuring
Image:Vaste Judaspenning hartvormig blad lunaria rediviva.jpg|hartvormig blad van vaste Judaspenning
Image:Italiaanse populier ruitvormigblad Populus nigra 'Italica'.jpg|ruitvormig blad van Italiaanse populier
Image:Italiaanse populier driehoekigblad Populus nigra 'Italica'.jpg|driehoekig blad van Italiaanse populier
Image:Ginkgo biloba 02.jpg|wigvormig of omgekeerd driehoekkig blad van Ginkgo
Image:Mansoor Asarum europaeum.jpg|niervormig blad van mansoor
Image:Oostindische kers blad Tropaeolum majus.jpg|schildvormig blad van Oostindische kers
Image:Dandelion-leaf.jpg|liervormig blad van paardenbloem
Afbeelding:Gesloten lotusbloem.jpg|gegolfd bladoppervlak van lotusbloem
Afbeelding:Savooiekool Vroege Groene spitskool Brassica oleracea.jpg|gebobbeld bladoppervlak van groene savooiekool
Afbeelding:Boerenkool.jpg|gekroesd bladoppervlak van boerenkool
Bladinsnijding
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- veerlobbig: insnijdingen tot een kwart van de zijnerf
- veerspletig: insnijdingen vanaf een kwart tot de helft van de zijnerf
- veerdelig: insnijdingen vanaf de helft van de zijnerf tot bijna aan de hoofdnerf toe
- handlobbig: insnijdingen tot een kwart van de zijnerf
- handspletig: insnijdingen vanaf een kwart tot de helft van de zijnerf
- handdelig: insnijdingen vanaf de helft van de zijnerf tot bijna aan de bladsteel toe
Afbeelding:Bladinsnijding_veervormig_goed.jpg|veerlobbig, veerspletig, veerdelig
Afbeelding:Bladinsnijding_lobbig.jpg|handlobbig, handspletig, handdelig
Image:Zomereik blad Quercus robur.jpg|veerspletig blad van zomereik
Afbeelding:Kleine varkenskers stukje plant Coronopus didymus.jpg|veerdelig blad van kleine varkenskers
Image:Klimopblad Hedera helix.jpg|handlobbig blad van klimop
Image:Geranium macrorhiza blad.jpg|handdelig blad van Geranium macrorhiza
Bladrand
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- gaaf
- gegolfd: ronde insnijdingen en ronde uitsteeksels
- gekarteld: scherpe insnijdingen en ronde uitsteeksels
- getand: ronde insnijdingen en scherpe uitsteeksels
- gezaagd: scherpe insnijdingen en scherpe uitsteeksels
- dubbelgezaagd
Afbeelding:Lamsoor.jpg|gave bladrand van lamsoor
Image:Quercus rotundifolia e bugalho.JPG|gegolfde bladrand van de steeneik
Afbeelding:bladranden.png|gezaagd, getand, gekarteld
Image:Hondsdraf blad Glechoma hederacea.jpg|gekartelde bladrand van hondsdraf
Image:Hulst getand blad Ilex aquifolium.jpg|getande bladrand van hulst
Image:Grote brandnetel blad Urtica dioica.jpg|gezaagde bladrand van de grote brandnetel
Image:Goudiep blad Ulmus hollandica (x) 'Wredei'.jpg|dubbelgezaagde bladrand van de goudiep
Bladtop
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- uitgebeten: gekarteld
- uitgerand: met een ondiepe insnijding
- afgeknot: aan de top plat
- afgerond: halfcirkelvormig
- stomp: begrensd door een gebogen lijn
- spits: begrensd door een scherpe hoek
- stekelpuntig
- toegespitst: in een smaller gedeelte uitlopend
- lang toegespitst: in een smaller lang gedeelte uitlopend
Image:Carob tree leaf.JPG|uitgerande bladtop bij blad van de Johannesbroodboom
Image:Amandelwolfsmelk blad Euphorbia amygdaloides.jpg|stompe bladtop bij blad van amandelwolfsmelk
Image:Kweek blad Elytrigia repens.jpg|spitse bladtop bij bladschijf van kweek
Image:Hulst getand blad Ilex aquifolium.jpg|stekelpuntige bladtop bij blad van hulst
Image:Vaste Judaspenning hartvormig blad lunaria rediviva.jpg|toegespitste bladtop bij blad van vaste Judaspenning
Afbeelding:Paardekastanje bladmineerder.jpg|lang toegespitste bladtop bij blad van de paardenkastanje
Bladvoet
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- in de gevleugelde steel aflopend
- versmald
- wigvormig
- afgeknot
- afgerond
- hartvormig
- geoord
- scheef
- stengelomvattend
- doorgroeid.
Image:Smalle weegbree blad Plantago lanceolata.jpg|in de gevleugelde steel aflopende bladvoet van smalle weegbree
Image:Amandelwolfsmelk blad Euphorbia amygdaloides.jpg|versmalde bladvoet van amandelwolfsmelk
Image:Melganzenvoet eivormige bladeren Chenopodium album.jpg|wigvormige bladvoet van melganzenvoet
Image:Haagbeuk dubbelgezaagd blad Carpinus betulus.jpg|afgeronde bladvoet van haagbeuk
Image:Vaste Judaspenning hartvormig blad lunaria rediviva.jpg|hartvormig bladvoet van vaste Judaspenning
Image:Oortjes rogge Secale cereale.jpg|oortjes bij rogge
Image:Goudiep blad Ulmus hollandica (x) 'Wredei'.jpg|scheve bladvoet van goudiep
Image:Tulp Greigii Tulipa.jpg|stengelomvattende bladvoet van tulp 'Greigii'
Bladnervatuur
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- parallelnervig.
- kromnervig.
- veernervig.
- handnervig.
- eennervig.
- netnervig.
Afbeelding:Lolium perenne Engels raaigras ligula.jpg|parallelnervig blad van Engels raaigras
Image:Hosta blad.jpg|kromnervig blad van Hosta
Image:Haagbeuk dubbelgezaagd blad Carpinus betulus.jpg|veernervig blad van de haagbeuk
Image:Klimopblad Hedera helix.jpg|handnervig blad van klimop
Afbeelding:Kleefkruid.JPG|eennervig blad van kleefkruid
Afbeelding:Stachys officinalis2.jpg|netvormig blad bij betonie
Samengesteldheid
De volgende basisvormen kunnen onderscheiden worden:
- geveerd
- dubbelveerdelig
- dubbelgeveerd
- driedubbelgeveerd
- handvormig samengesteld.
Bij geveerd wordt onderscheiden:
- evengeveerd (zonder topblad)
- onevengeveerd (met topblad)
- afgebroken geveerd: als tussen de grote bladparen kleine bladparen liggen
Image:Es geveerd blad Fraxinus excelsior.jpg|oneven geveerd blad van es
Image:Aardappel blad Solanum tuberosum.jpg|afgebroken geveerd blad van aardappel
Image:Gewoon duizendblad Achillea millefolium.jpg|dubbelveerdelig blad van gewoon duizendblad
Image:Adelaarsvaren dubbelgeveerdblad Pteridium aquilinum.jpg|dubbelgeveerd blad van adelaarsvaren
Afbeelding:Aardbei plant.jpg|handvormig samengesteld 3-tallig blad bij aardbei
Afbeelding:Paardekastanje bladmineerder.jpg|handvormig samengesteld 5-tallig blad van de paardenkastanje
categorie:plantenmorfologie
Bloem (biologie)
De bloem brengt de voortplantingsorganen bij elkaar van een plant, of precieser: bloemen zijn kenmerkend voor planten die tot de stam Angiospermae of Magnoliophyta (bedektzadigen of bloemdragende planten) behoren. Deze plantengroep omvat zeer uiteenlopende planten, van het nederige straatgras tot de omhoogrijzende paardenkastanje.
Bloemen kunnen allerlei vormen en kleuren vertonen en zijn om die reden al sinds mensenheugenis geliefd als decoratie in huis en tuin. Bloemen vormen echter ook een belangrijk middel om plantensoorten te herkennen.
Algemene opbouw
paardenkastanje
De bloem is eigenlijk een scheut opgebouwd uit een stengelstuk met bladeren. De leden van het stengelstuk groeien niet uit en vormen de bloembodem. De bloembodem is dus een niet gestrekt stengelstuk.
Bij de aardbei is de bloembodem vlezig en vormt de uiteindelijke vrucht, eigenlijk een schijnvrucht.
In een bloemknop zijn de onderdelen op dezelfde wijze aangelegd als in een bladknop. De bloemdelen staan in kransen, die op de bloembodem zijn ingeplant. De bloemdelen kunnen gewoon of spiraalsgewijs ingeplant staan.
De volgende bloemdelen kunnen worden onderscheiden:
; De kelk : De buitenste krans. De kelk is meestal groen.
; De kroon : De volgende krans(en). De kroon heeft meestal een andere kleur dan de kelk.
; De meeldraden : Binnen de kroon staan één of meer kransen van meeldraden, elk bestaand uit helmdraad en helmhokjes.
; De stampers : De binnenste krans heeft één of meer stampers die het vruchtbeginsel bevatten.
De kelkbladen en de kroonbladen worden samen de "bloembekleedselen", of ook wel het "bloemdek", genoemd.
Het volgende schema laat zien hoe de bloem is opgebouwd uit de bloemdelen.
Niet alle onderdelen zijn bij elke bloem aanwezig. Sommige bloemen hebben geen kelkbladen of geen bloembladen (Noorse esdoorn), of zelfs in het geheel geen kelk- of bloembladen (bijvoorbeeld wilgekatjes. Ook kunnen de bloembladen ontbreken, maar zijn er wel gekleurde kelkbladen, zoals bij de kievitsbloem en de bosanemoon.
Soms is een bijkelk (epicalyx), een krans van kelkachtige blaadjes, aanwezig, die echter niet tot de kelk behoren. Een voorbeeld hiervan is de bijkelk van Muskuskaasjeskruid, die bestaat uit drie lijn- tot lancetvormige blaadjes.
Een bloem, die òf stampers òf meeldraden (maar niet beide) heeft, is een éénslachtige bloem. Een bloem met alleen één of meer stampers is een vrouwelijk bloem; een bloem met alleen meeldraden is een mannelijke bloem. Bij windbestuivers zijn de bloemen vaak éénslachtig.
Een tweeslachtige bloem heeft zowel stampers als meeldraden.
Om de bouw van een bepaalde soort bloem op een beknopte wijze weer te geven wordt de bloemformule gebruikt aangevuld met het bloemdiagram.
De kroon
Een kroonblad (bloemblad) bestaat uit de nagel (het smalle onderste gedeelte), de plaat (het brede, platte bovenste gedeelte) en soms een spoor (cilindervormige uitzakking van het kroonblad, meestal met nectar). De kroon kan voorzien zijn van een honingmerk, waardoor bijen en dergelijke worden aangelokt.
Bloemen kunnen enkelbloemig, halfgevuld en gevuld zijn. Als er twee kransen van bloembladen zijn, wordt van halfgevuld gesproken. Zijn er meer dan twee kransen van bloembladen dan wordt van gevuldbloemig gesproken.
De pioenroos is een voorbeeld van extreem gevulde bloemen. De roos, als snijbloem, is ook een duidelijk voorbeeld van een gevuldbloemige. Er zijn ook enkelbloemige variëteiten van de roos, die wel in tuinen worden aangeplant. Er is ook een oud enkelbloemig ras 'Sepharin Drouin' dat heerlijk geurt en stekelloos is.
De hondsroos is een enkelbloemige wilde roos.
Meeldraden
Voor meer informatie over meeldraden, zie meeldraad.
De meeldraden kunnen op diverse manieren opgesteld staan:
- epipetaal (meeldraden tegenover kelkbladen),
- episepaal (meeldraden tegenover kroonbladen),
- obdiplostemoon (binnenste krans van meeldraden tegenover kroonbladen en buitenste tegenover kelkbladen) of
- diplostemoon (binnenste krans van meeldraden tegenover kelkbladen en buitenste tegenover kroonbladen) ingeplant zijn.
De volgorde van rijping van de meeldraden kan
- centripetaal (van de buitenste naar de binnenste) of
- centrifugaal (van de binnenste naar de buitenste) zijn.
Stampers
De binnenste krans heeft één of meer stampers opgebouwd uit één of meer vruchtbladen (carpel) en vormt het vruchtbeginsel (gynoecium). Ook kunnen er één of meer honingklieren (nectarium) aanwezig zijn.
Op de foto van de kievitsbloem (Fritillaria meleagris), boven, zijn twee bloembladen en een meeldraad verwijderd om een beter zicht te krijgen op de bloemonderdelen.
Bloeiwijzen
Bloemen groeien vaak samen in een bloeiwijze, bijvoorbeeld in een aar (bloeiwijze), zoals bij granen, of in een scherm, zoals bij fluitekruid. Soms zitten de bloemen zo dicht op elkaar, dat het lijkt alsof ze samen één bloem vormen. Dat is het geval bij samengesteldbloemigen, zoals de paardenbloem en de zonnebloem. Die bloeiwijze wordt gedetailleerd beschreven in het artikel over composieten.
Bestuiving en bevruchting
composieten
Bestuiving en bevruchting worden vaak door elkaar gehaald. Bestuiving kan leiden tot bevruchting maar dat hoeft niet. Na bestuiving moeten de spermacellen uit de stuifmeelkorrel via de stuifmeelbuis naar de eicel gebracht worden en moeten ze met elkaar versmelten. In de lucht zitten zeer veel verschillende stuifmeelkorrels en alleen een specifieke combinatie van stuifmeelkorrel en stempel geeft bevruchting. Dit voorkomt bij kruisbevruchters kruisbevruchting tussen soorten of nauw-verwante planten, zodat deze soort-echt blijven.
Er zijn verschillende barrières tegen kruisbevruchting tussen soorten. Deze kunnen door de bouw van de bloem komen, maar er zijn ook genetische barrières. Deze kunnen sporofytisch of gametofytisch van aard zijn. Gametofytisch: de reactie van het stuifmeel hangt af van het genotype van de haploïde kernen van het stuifmeel en het genotype van de moeder, waardoor de stuifmeelbuis al of niet kan uitgroeien. Sporofytisch: de reactie van het stuifmeel hangt niet af van het genotype van de haploïde kernen van het stuifmeel maar van het genotype van de vader en het genotype van de moeder. Eenslachtige bloemen aan aparte vrouwelijke en mannelijke planten geeft doorgaans een zeer goede bescherming. stuifmeelkorrel Ook tweeslachtige bloemen kunnen kruisbevruchting tegen gaan, doordat het stuifmeel en de stamper niet tegelijk rijp zijn, zoals bij Geranium macrorhizum of doordat de helmhokjes van de meeldraden ver van de stamper verwijderd zijn.
Plantensoorten die afhankelijk zijn van bestuiving door insecten of dieren hebben hun bloemen daarop aangepast door felle kleuren, nectarproductie en/of sterk geuren. Bij bestuiving door insecten is vaak sprake van een speciale bloemvorm, waardoor bezoekende insecten gemakkelijk met stuifmeel in aanraking komen. Ook hebben bloemen soms een ingewikkelde bouw waardoor alleen een specifiek insect de bloem kan bestuiven, of lijken de bloemen op het betreffende insect waardoor het insect wil paren en zo de bloem bestuift.
Als voorbeeld van bestuiving door dieren is de kolibrie zeer bekend. Door de speciale bouw kan de kolibrie in de lucht stil blijven hangen.
kolibrie
Op de foto de mannelijke bloeiwijze van de hazelnoot. Door de langwerpige, open vorm van de bloeiwijze wordt het stuifmeel makkelijk door de wind meegenomen.
Bloemvorm
In de achttiende eeuw plaatste Linnaeus bloemen in een schema, op basis van hun reproductie-organen. Dit schema is sinds lang verlaten. Er bestaan nu verschillende soorten indelingen. Zie hiervoor Plantae.
De kroon kan regelmatig (eendagsbloem) of onregelmatig (Zingiber) zijn. Zijn beide helften bij een onregelmatige kroon gelijk dan wordt er van een zygomorfe kroon (Zingiber, erwt) gesproken. De kroonbladen kunnen vrij of vergroeid zijn. Vergroeide kroonbladen kunnen trechtervormig (aardappel), radvormig (Phlox), klokvormig (haagwinde), kroesvormig (dopheide), buisvormig tabak), tweelippig (witte dovenetel) of lintvormig (composietenfamilie) zijn. Ook kunnen de kelk- en kroonbladen (wilgekatjes) of alleen de kroonbladen (iep) ontbreken.
Bijzondere vormen
Een cephalium of bloemhoofd, wordt gevonden op de top van cactussen van het geslacht Melocactus. In dit bloemhoofd komen de echte bloemen en later de vruchten voor. Het bloemhoofd wordt in de loop van de tijd steeds groter.
Bloemkleur
Een hele reeks van kleurpigmenten zorgt voor de verschillende bloemkleuren. De meeste zijn anthocyanen, maar de fel gele kleuren zijn meestal flavonen. Ook komen carotenoïde pigmenten voor. Het menselijk oog ziet echter andere kleuren dan een insecten oog. Insecten, met name bijen, zien kleuren die het menselijk oog alleen onder ultraviolet licht kunnen zien. Zo zijn honingmerken voor het menselijk oog niet altijd zichtbaar, maar wel onder een UV-lamp.
Bloem bewegingen
Open en dichtgaan
Sommige bloemen gaan dicht als het donker wordt. Niet alle bloemen hebben het vermogen om open en dicht te gaan. De zonnebloem eenmaal open kan zich niet meer sluiten terwijl de paardenbloem, ook een composiet, dit wel kan. De zonnebloem heeft wel de mogelijkheid om de bloem naar beneden te laten hangen en zo de bloempjes en later de ontwikkelende zaden tegen regen te beschermen.
Bloemen die dit vermogen wel hebben openen zich s'ochtends na het opkomen van de zon en sluiten s'avonds. Ook bij regenachtig weer zijn deze bloemen veelal gesloten. Aan de onderkant van de kelk en bloembladen, bij de aanhechting op de bloembodem, zit een zogenaamd scharnier dat deze bewegingen mogelijk maakt.
Meedraaien met de zon
Veel bloemen hebben het vermogen om met de zon mee te draaien, zodat het hart van de bloem altijd op de zon gericht is. 's Nachts draait de bloem dan terug. De zonnebloem is hier een goed voorbeeld van.
Bloemaantasting
paardenbloem
Een bloem kan evenals een blad aangetast worden door ziekten en plagen.
- Er zijn schimmels, zoals Botrytis (grauwe schimmel), die de bloemknop en kroonbladen kunnen aantasten. De schimmel die vruchtrot bij aardbei veroorzaakt, dringt tijdens de bloei de verdikte bloembodem al binnen, maar geeft pas later bij de vruchtvorming vruchtrot.
- Insecten, zoals rupsen vreten aan de bloemknop, maar ook zijn er insecten die het voedsel opzuigen, zoals thrips.
- Virussen kunnen worden overgebracht door aanraking van de bloem of via zuigende insecten. Een virus vermeerdert zich in de plant, hetgeen verkleuringen van de kroonbladen tot gevolg heeft. Bij de tulp geeft dit gestreepte bloemen. De beruchte tulpomanie was gebaseerd op viruszieke bloembollen.
Zie ook
- Foto's van bloemen
Externe link
- http://www.trq.nl/school/B16.php
Categorie:Plantenmorfologie
ja:花
ko:꽃
simple:Flower
th:ดอกไม้
zh-min-nan:Hoe
Nederlandse Rode Lijst (planten)Sinds 1950 zijn bijna 500 van de 1536 autochtone wilde plantensoorten in Nederland in aantal achteruit gegaan en zijn er meer dan 40 uitgestorven. Om hier een halt aan toe te roepen is er onder meer een zogenaamde rode lijst voor planten opgesteld. Op de Rode lijst van 2004 staan 499 soorten. Het opstellen van Rode Lijsten komt voort uit het verdrag van Bern, dat in 1982 door Nederland is geratificeerd. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn (artikel 1 en 3). In artikel 7 van de flora- en faunawet is vastgelegd dat de overheid lijsten opstelt van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen en die bedreigd zijn. Op de Rode Lijst voor planten komen plantensoorten voor die in Nederland met uitsterving bedreigd worden en/of beschermd zijn, zoals Parnassia. Daarnaast komen in Nederland veel zeldzame soorten voor. Diverse van deze planten komen voor in gebieden die beschermd worden op grond van de Europese Habitatrichtlijn. Het ministerie van LNV heeft op 18 februari 2003 een ontwerplijst gepresenteerd met speciale beschermingszones voor natuurlijke habitats op grond van deze richtlijn. De gebieden gaan uiteindelijk deel uitmaken van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden: [http://www.minlnv.nl/thema/groen/natuur/natura2000/ Het "Natura 2000"-netwerk].
In 1990 verscheen de eerste Rode Lijst voor de Nederlandse vaatplanten: 'Floron Rode Lijst 1990. Rode Lijst van de in Nederland verdwenen en bedreigde planten (Varenachtigen en Zaadplanten) over de periode 1.1.1980-1.1.-1990'.
Het was de bedoeling van de stichting Floron dat deze lijst de basis zou gaan vormen van de discussie over de Rode Lijst. Die discussie kwam er niet omdat de lijst onmiddellijk geaccepteerd werd. In het natuurbeleid werden nadien doelsoorten geïntroduceerd, die op bepaalde plaatsen verschilden van de Rode Lijst. Hierdoor ontstond er verwarring onder beheerders van natuurgebieden over de vraag aan welke soorten nu de waarde van natuurterreinen kon worden afgemeten. Om de spanning tussen de lijst van doelsoorten en de Rode Lijst op te heffen werd besloten om tot een nieuwe Rode Lijst te komen. Deze werd gepubliceerd in 2000, en werd samengesteld door Ruud van der Meijden, Baudewijn Odé, Kees Groen, Flip Witte en Dick Bal.
De nieuwe Rode Lijst verschilt nogal van de oude van 1990. Er zijn 74 nieuwe soorten, terwijl er 116 niet meer op voorkomen. Op de oude Rode Lijst van 1990 stonden 42 soorten meer dan op de nieuwe van 2000. Deels worden deze veranderingen veroorzaakt door het gebruik van iets andere criteria. Maar zij vloeien ook voort uit de gegevens die de laatste 10 jaar met het algemeen project van FLORON zijn verzameld.
Op 5 november 2004 werd de nieuwe Rode Lijst voor vaatplanten door Minister Cees Veerman van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld.
Soorten van een Rode Lijst genieten op grond daarvan nog geen wettelijke bescherming. Deze bescherming treedt pas op bij publicatie in de Staatscourant.
Wettelijk is wel vastgelegd dat de overheid zich inzet voor de bescherming van deze soorten en dat zij het onderzoek daartoe bevordert. Van provincies, gemeenten en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode Lijsten.
Hieronder volgt de op 5 november 2004 vastgestelde lijst:
De soorten op de Rode Lijst van 2004
__NOTOC__
| | |