:: wikimiki.org ::
| Stadhouder Willem II |
Stadhouder Willem II
Willem II (Den Haag 27 mei 1626 - aldaar 6 november 1650), Prins van Oranje, was de zoon van stadhouder Frederik Hendrik. Hij was getrouwd met Mary Henrietta Stuart (dochter van koning Karel I van Engeland) en was in de periode 1647-1650 Stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Groningen, Drenthe en Westerwolde.
Willem had ambitieuze plannen, hij wou Nederland tot een sterk, gecentraliseerd calvinistisch land maken met hemzelf als monarch. Hij steunde daarbij op de orthodoxe Calvinisten en kwam al gauw in conflict met de republikeinse partij, de Staatsen.
Hij was het in toenemende mate oneens met de politiek van religieuze tolerantie die zijn vader toepaste op de onlangs veroverde Generaliteitslanden, waar de bevolking grotendeels katholiek wenste te blijven. Ook de vredesbesprekingen met de Spaanse koning waren niet naar zijn zin, maar zij waren al te ver gevorderd om nog tot staan gebracht te worden, toen zijn vader stierf in 1647. Zijn moeder Amalia van Solms speelde daarbij een rol, omdat zij de politiek van haar man wilde voortzetten. Dit zorgde voor verdeeldheid in de Oranjepartij. De meeste oppositie tegen de ratificatie van de vrede van Münster kwam van Zeeland. Willem adviseerde tevergeefs de andere gewesten ook tegen te stemmen. Daarna verliet hij Den Haag om zijn onmacht tegenover het gewest Holland te verbergen.
De vrede bracht economische ellende met zich mee, vooral voor Zeeland omdat de handel op Schelde, Sas en Zwin zich nu weer naar Vlaamse havens veplaatste. De kolonie van de West-Indische Compagnie in Brazilië ging verloren en dat veroorzaakte grote onvrede. Verder werd overal in de Generaliteitslanden (behalve Overmaas) de Hervorming doorgevoerd en dat leidde tot spanningen. De staatse handelaren in Holland zagen niet in dat zij daarvoor moesten betalen. Willem steunde de orthodoxen niet alleen, maar ook in zijn eigen heerlijkheid Lingen stelde hij een drost aan (Rutger van Haersolte), die in dit katholieke gebied de katholieke priesters verving door dominees en de kerken ontdeed van alle sier. Het werd echter spoedig duidelijk dat het allemaal niets uitmaakte, de mensen bleven katholiek. De orthodoxen wilden hardere maatregelen en een sterker leger, de Hollandse steden, vooral Amsterdam, Dordrecht, Delft, Haarlem, Hoorn en Medemblik wilden juist verkleining van het leger en belastingverlaging. De grote vraag was wie nu eigenlijk het land regeerde.
In 1650 probeerde Willem dit eens en voor altijd te beslechten. Samen met Willem Frederik van Nassau de stadhouder van Friesland bereidde hij een staatsgreep voor die tot doel had de macht van het gewest Holland te breken. Eerst was er een propaganda-veldtocht. Er werd een vervalst geschrift uitgegeven waarin stond dat, in geval van een burgeroorlog, het parlement van Engeland -zelf in burgeroorlog verwikkeld met Willems schoonvader- de regenten zou steunen met troepen. De Spaanse regering in Brussel had inderdaad alle reden om te voorkomen dat Willem de vrede weer zou breken. Ook dat kon tegen de regenten gebruikt worden.
Een aantal politieke tegenstanders werd aangehouden, zoals admiraal Witte de With en Adriaen Pauw. Willem verwierf de steun van alle gewesten behalve Zeeland en Holland om in naam van de Staten Generaal van de Unie in te grijpen in die steden van Holland die het besluit van het gewest steunden om eenzijdig tot ontbinding van legereenheden over te gaan. De Prins trok met zijn leger van Dordt naar Delft en Amsterdam. Hoewel hij aanvankelijk binnengelaten werd en beleefd aangehoord, deed dit hun houding niet veranderen. Er volgden meer arrestaties en een korte belegering van Amsterdam die het verzet brak.
Willem had gewonnen. In oktober echter kreeg hij koorts. Het bleek pokken te zijn en op 6 november stierf hij. Een maand later werd zijn erfgenaam geboren, de latere stadhouder Willem III. De Staatsen maakten snel gebruik van de verwarring in het vijandelijke kamp en het Eerste Stadhouderloos Tijdperk was geboren.
----
Willem Oranje-Nassau, van 2
Categorie:Stadhouder
Prins van OranjePrins van Oranje is een adellijke titel, oorspronkelijk verbonden aan het soevereine prinsdom Orange in het zuiden van Frankrijk. Het Prinsdom was geen deel van Frankrijk. De Prins was geen vazal van de Koning van Frankrijk. De titel mag zowel door leden van het Huis van Oranje-Nassau als van het Huis Hohenzollern worden gedragen. De dragers van de titel uit deze huizen zijn respectievelijk prins Willem-Alexander en prins Georg Friedrich van Pruisen.
Ook de leden van het Franse geslacht van de Markiezen de Mailly-Nesle zijn Prinsen van Oranje.
Geschiedenis van de titel
De titel Prins van Oranje kwam oorspronkelijk alleen toe aan de leden van het Huis van Oranje, en was na het overlijden van René van Châlon in 1544 in handen van Willem van Oranje en zijn nakomelingen. Toen koning-stadhouder Willem III in 1702 overleed, ontstond over de erfenis een verschil van mening. Zowel de Friese stadhouder Johan Willem Friso (een verre neef van Willem III) als koning Frederik I van Pruisen (een zoon van keurvorst Frederik Willem I van Brandenburg en Louise Henriëtte van Nassau) maakte aanspraak op de titel Prins van Oranje.
Het conflict werd pas opgelost in 1732 met het Traktaat van Partage. De koning van Pruisen had al in het Verdrag van Utrecht in 1713 afstand gedaan van zijn rechten op het prinsdom Orange. Nu deden ook de Nassaus afstand, waardoor het geannexeerd kon worden door de Franse koning Lodewijk XIV, die het bij Frankrijk voegde. Zowel de prins als de koning behield echter het recht op de titel Prins van Oranje.
Lodewijk XIV verleende de titel, die in zijn ogen vrijgekomen was omdat er geen mannelijke erfgenamen waren aan Louis de Mailly. De titel Prins van Oranje wordt tot op de dag van vandaag dan ook gebruikt door de nazaten van Louis de Mailly, wat betekent dat er drie prinsen van Oranje zijn. De overlijdensadvertentie van "Jean Arnoult Auguste Marquis de Mailly-Nesle, Prince d'Orange" verscheen in het dagblad Le Figaro op 14 oktober 2001).
Drager van de titel in Nederland
Bij Proclamatie van 16 maart 1815 werd de titel door koning Willem I der Nederlanden behouden, en reeds onmiddellijk aan zijn oudste zoon gegeven. Sedertdien is het gebruikelijk dat de titel Prins(es) van Oranje wordt gevoerd door de Nederlandse prins of prinses die de eerste is in de lijn van opvolging. Op dit moment is dat kroonprins Willem-Alexander.
De oudste zoon of dochter van een Nederlandse kroonprins(es) wordt vervolgens de titel Erfprins(es) van Oranje toegekend, welke dus thans wordt gedragen door prinses Catharina-Amalia, de eerste dochter van prins Willem-Alexander. Zodra prins Willem-Alexander de troon bestijgt, gaat zijn titel over op zijn dochter Catharina-Amalia, die dan Prinses van Oranje wordt.
Vóór de grondwetswijziging van 1983 kwam de titel alleen toe aan erfgenamen in de mannelijke lijn. De vorige drager van de titel Prins van Oranje uit het Huis van Oranje-Nassau was de in 1884 overleden kroonprins Alexander, een zoon van koning Willem III. Toen kroonprins Willem-Alexander in 1980 door de troonbestijging van zijn moeder Prins van Oranje werd, was de titel dus bijna een eeuw niet gebruikt.
Zie ook
- Nederland - Monarchie
- Oranje-Nassau
- Stamboom Huis van Oranje-Nassau
- Geschiedenis van Orange
Externe links
- [http://visualiseur.bnf.fr/Visualiseur?Destination=Gallica&O=NUMM-96031&I=128 Verdrag van Utrecht (1713)] (artikel X)
- [http://www.heraldica.org/topics/royalty/berlin1732.htm Traktaat van Partage (1732)] (artikel 2-4)
- [http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20lidmaatschap%20koninklijk%20huis Wet lidmaatschap koninklijk huis] (artikel 7)
- [http://www.heraldica.org/topics/france/frprince.htm#orange Over de verschillende prinsen van Oranje]
Categorie:Nederlands koningshuis
Categorie:Adellijke titulatuur
Frederik Hendrik
Frederik Hendrik (Delft, 29 januari 1584 – Den Haag, 14 maart 1647), Prins van Oranje, Graaf van Nassau, werd geboren als enige zoon van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij volgde in 1625 zijn halfbroer prins Maurits op als stadhouder. Als opperbevelhebber (Kapitein, Admiraal Generaal) van het leger zette hij Maurits' strategie voort, waarin het belegeren van steden voorrang had boven het vernietigen van het vijandelijke leger. Hij verwierf hierdoor de bijnaam 'stedendwinger'.
Huwelijk en kinderen
Toen Prins Maurits op sterven lag was Frederik Hendrik nog altijd ongehuwd en stond bekend als een rokkenjager. Omdat Prins Maurits altijd ongehuwd was gebleven drong hij er bij Frederik Hendrik op aan om te trouwen met Amalia van Solms en de dynastie voort te zetten. Zou hij niet trouwen dan zou hij niet de erfgenaam worden van Maurits. Frederik Hendrik huwde met Amalia van Solms, en gaf Den Haag steeds meer het karakter van hofstad. Hun zoon, Willem II, werd in 1626 geboren. De overige uit dit huwelijk geboren kinderen zijn:
- Louise Henriëtte (1627-1667);
- Henriëtte Amalia (1628);
- Elisabeth (1630);
- Isabella Charlotte (1632-1642);
- Albertine Agnes (1634-1696);
- Henriëtte Catharina (1637-1708);
- Hendrik Lodewijk (1639);
- Maria (1642-1688).
Frederik Hendrik had bij de burgemeestersdochter Margaretha Catharina Bruyns een bastaardzoon: Frederik van Nassau-Zuylenstein (1624-1672).
Paleizen
Verschillende paleizen in Nederland zijn in Frederik's opdracht gebouwd en verbouwd; onder andere liet hij Huis ten Bosch, Huis ter Nieuburch en het huis Honselaersdijk bouwen, ook verbouwde hij paleis Noordeinde. Frederik Hendrik was, dankzij aanmoediging van zijn secretaris Constantijn Huygens, een kunstverzamelaar. In 1634 bestond de stadhouderlijke kunstcollectie uit zo'n honderd schilderijen, waaronder een Rembrandt en een Rubens. In Huis ten Bosch is de Oranjezaal aan Frederik Hendrik opgedragen. Een wandschildering, getiteld Frederik Hendrik de Triomfator, laat de stadhouder zien als overwinnaar van zijn vijanden.
Frederik Hendrik en Amalia streefden ernaar om te worden opgenomen in de familie van Europese vorstenhuizen. Zij hadden het tij mee, want gedurende het bewind van de prins steeg de Hollandse welvaart explosief. Het prinselijk paar wist voor zijn kinderen voorname huwelijken te sluiten. De erfprins huwde Maria Stuart, en Louise Henriëtte werd erfprinses van Brandenburg. Albertine Agnes huwde een Friese Nassau. Door haar stamt de huidige koningin Beatrix af van Willem van Oranje.
Na zijn dood volgde Prins Willem II hem op.
Willem van Oranje
Willem van Oranje
Oranje, Frederik Hendrik van
Oranje, Frederik Hendrik van
Oranje, Frederik Hendrik van
Karel I van Engeland
Karel I (19 november 1600 – 30 januari 1649) was koning van Schotland, Engeland en Ierland (27 maart 1625 – 30 januari 1649). Hij was de enige Britse vorst die ooit aan de kant werd gezet en onthoofd. Hij was een zoon van Jacobus I.
Karel werd geboren in het paleis in het Schotse Dunfermline (zijn vader was op dat moment koning van Schotland, maar nog niet van Engeland). De beoogde troonopvolger was zijn oudere broer Hendrik, prins van Wales (de traditionele titel van de troonopvolger). Deze stierf echter aan tyfus in 1612, en daarmee werd Karel de erfgenaam van twee tronen. In 1616 werd hij prins van Wales.
Hij stond sterk onder de invloed van zijn vaders favoriet George Villiers, de eerste hertog van Buckingham. Deze nam hem in 1623 mee naar Spanje, op zoek naar een geschikte bruid. Dit leverde niets op omdat de Spanjaarden eisten dat Karel zich zou bekeren tot het Rooms-Katholicisme.
Toen hij de troon besteeg, werd Europa voor een groot deel beheerst door vorsten die streefden naar absolute macht, zoals de Franse koning Lodewijk XIV. Karel kende dat gedrag ook van zijn vader, en streefde dan ook hetzelfde na. Hierin werd hij echter stevig gedwarsboomd door het parlement. Er was brede oppositie tegen veel van zijn plannen, zoals het gebruik van de zogeheten Sterrekamer (Star Chamber) om dissidenten de wind uit de zeilen te nemen. Ook nam hij impopulaire belastingmaatregelen zonder goedkeuring van het parlement en voerde hij een godsdienstpolitiek die erop gericht was de Anglicaanse Kerk weer dichterbij de Roomskatholieke Kerk te brengen.
Anglicaanse Kerk
Op 13 juni 1625 trouwde Karel met Henriëtte Maria van Bourbon, een dochter van de Franse koning Hendrik IV. Zij kregen negen kinderen (vier zonen en vijf dochters):
- Karel Jacobus Stuart, hertog van Cornwall (13 maart 1629 - 13 maart 1629)
- Karel II, koning van Engeland, Schotland en Ierland (29 mei 1630 - 6 februari 1685)
- Maria Stuart, de latere echtgenote van Willem II, Prins van Oranje (4 november 1631 - 24 december 1660)
- Jacobus, als Jacobus II koning van Engeland en Ierland, als Jacobus VII koning van Scotland (14 oktober 1633 - 6 september 1701)
- Elizabeth Stuart (29 december 1635 - 8 september 1650)
- Anne Stuart (17 maart 1637 - 5 november 1640)
- Catharina Stuart (29 juni 1639 - 29 juni 1639)
- Hendrik, hertog van Gloucester (8 juli 1640 - 13 september 1660)
- Henriëtte Anne Stuart, door huwelijk hertogin van Orléans (16 juni 1644 - 30 juni 1670).
Het huwelijk schijnt (blijkt) goed te zijn geweest, maar was onder de Britse bevolking niet bijster populair.
De conflicten met het parlement over allerlei zaken namen toe. Dit betrof o.a. de kwestie van de Hugenoten, de willekeurig opgelegde belastingen en arrestaties.
Toen het parlement meer onwelgevallige wetten wilde doorvoeren werd het door Karel ontbonden op 29 maart 1629. De daarop volgende jaren staan bekend als de 'Personal Rule' of de 'eleven years' tyranny'. Karel was hierdoor nauwelijks in staat het land te besturen zonder geregelde belastinginkomsten en moest andere middelen vinden om aan geld te komen. Een daarvan was het zogeheten 'ship money'. Dit scheepsgeld werd geheven aan inwoners van kustplaatsen, ter instandhouding van de vloot, maar werd door hem ingesteld als geldend voor het hele land.
Na de dood van Buckingham groeide de invloed van twee anderen in de regering: Thomas Wentworth, graaf van Strafford and William Laud. Laud, die aartsbisschop van Canterbury werd, droeg bij aan de overheersende rol van de staatskerk. Hij volgde hierbij de lijn van het Arminianisme, wat leidde tot conflicten met de groeiende factie van de Puriteinen.
Alles bleef echter rustig en het ging goed met Engeland tot Karel in 1637 probeerde de Schotten tot hetzelfde conformisme te brengen. Het gevolg was de herleving van het 'National Covenant' en de eerst van de 'Bishops' Wars' (bisschopsoorlogen), die voor Karel eindigde in een vernederende wapenstilstand op 18 juni 1639. Om gelden te kunnen verkrijgen voor zijn strijd tegen de Schotten riep hij weer een parlement bijeen in april 1640. Dit zogeheten 'korte parlement' wilde niet aan zijn wensen voldoen en werd ontbonden op 5 mei. Na een nieuwe nederlaag riep hij het parlement opnieuw bijeen.
Dit 'lange parlement' nam al spoedig maatregelen die de positie van Karel in gevaar brachten. Wentworth werd in staat van beschuldiging gesteld, en toen dat niet bleek te werken beschuldigd van hoogverraad en ter dood gebracht.
Laud werd gevangen gezet en later ook geexecuteerd.
Karel moest de ene na de andere concessie doen, zoals het afschaffen van het ship money en de Sterrekamer. Maar hij kon niet instemmen met de wet die hem het gezag over het leger zou afnemen. Deze dreiging en de aanvallen op Henriëtte Maria brachten hem ertoe vijf parlementsleden te laten arresteren die hij beschouwde als leiders van het verzet. Door gewapenderhand in te grijpen in het parlement veroorzaakte hij een blijvende breuk en was hij in Londen niet langer veilig. Hij vertrok naar het noorden, terwijl de koningin naar het buitenland ging.
Beide partijen begonnen zich te bewapenen en er dreigde een burgeroorlog.
Na vruchteloze onderhandelingen hees Karel op 22 augustus 1642 de koninklijke standaard. Hij vestigde zijn hof in Oxford, vanwaar uit hij het noorden en westen van het land bestuurde, terwijl het parlement de controle behield over het zuiden en oosten en over Londen.
De oorlog woedde onbeslist voort in 1643 en 1644, totdat het parlement via de slag bij Naseby een overwinning wist te behalen. Daarop volgde het beleg van Oxford, waaruit Karel in april 1646 wist te ontsnappen.. Hij gaf zich over aan het Schotse presbyteriaanse leger in Newark, dat hem in januari 1647 uitleverde aan het parlement.
Hij werd gevangen gezet in Holdenby House in Northamptonshire, totdat de kornet George Joyce hem in naam van het leger naar Newmarket overbracht.
In deze periode had zich een sfeer van wederzijdse verdachtheid ontwikkeld tussen het parlement en het leger, waar Karel gretig gebruik van maakte. Men begon elkaar via verschillende bijnamen uit te schelden. De parlementariers noemden de koningsgezinden ‘caveliers’, naar het Spaanse ‘cavelios’, daarmee suggererend dat zij vreemdelingen waren. De royalisten van hun kant noemden de tegenstanders ‘roundheads’, waarmee werd aangegeven dat zij tuig waren.
Karel werd vervolgens overgebracht naar Oatlands en van daar naar Hampton Court. Onderhandelingen liepen op niets uit. Men probeerde hem over te halen om naar het buitenland te vluchten of desnoods naar het eiland Wight. Hij besloot tot het laatste omdat Robert Hammond, de gouverneur van het eiland, hem goed gezind leek. Dit bleek echter niet zo te zijn en Hammond zette hem vast in Carisbrooke Castle.
Van hier uit bleef hij onderhandelen met de partijen en uiteindelijk bereikte hij overeenstemming met de Schotse presbyterianen, wat inhield dat hij de vestiging van het presbyterianisme zowel in Schotland als in Engeland zou toestaan gedurende een proefperiode.
De royalisten kwamen in opstand in juli 1648 en de Schotten vielen het land binnen. Toen de Schotse legers tenslotte waren verslagen in de slag bij Preston groeide de druk in het leger om Karel te berechten.
Dit was een nieuwigheid. Al eerder waren vorsten afgezet, maar nooit in die hoedanigheid berecht. De bedenkers van het plan meenden dat de koning moest sterven, maar zij wilden dat in alle openheid bereiken. Daarvoor moest een showproces dienen. Dit begon op 20 januari 1649. Velen uit de oppositie wilden hier niet aan meewerken, en Karel werd berecht door een illegaal parlement bestaande uit 135 leden. Het proces duurde tot 27 januari , waarna hij werd veroordeeld wegens verraad. De stemverhouding was 68 tegen 67. Sommige bronnen beweren dat de beslissende stem afkomstig was van Oliver Cromwell, die als laatste zijn stem uitbracht.
Karel werd onthoofd op 30 januari 1649. De executie werd niet toegejuicht, maar werd juist begeleid door bijna volledige stilte. Cromwell stond bij wijze van gebaar toe dat het hoofd werd teruggeplaatst op het lichaam, zodat de familie op gepaste wijze eer kon betuigen aan de koning. Karel I is begraven in Windsor Castle.
Hierna volgde een periode waarin Engeland geen koninkrijk was, maar door Oliver Cromwell als Lord Protector werd bestuurd.
Aan deze situatie kwam een einde in 1660, toen met de troonsbestijging van Karels zoon als koning Karel II het koningschap werd hersteld.
Henriëtta Maria leefde tot 1669 en stierf in Parijs. Zij maakte nog mee dat haar dochter Henriëtte Anne trouwde met de hertog van Orleans in 1661 en dat haar zoon Karel koning werd.
Categorie:Koning van Engeland
Categorie:Huis Stuart
ja:チャールズ1世 (イングランド王)
1650
----
Gebeurtenissen:
- Stadhouder Willem II pleegt een staatsgreep.
- Groningen en Drenthe besluiten na de plotselinge dood van Willem II, Willem Frederik van Nassau ook tot hun stadhouder te benoemen. Zijn pogingen ook door de andere gewesten aanvaard te worden als regent voor Willem III lopen echter op niets uit. Alleen in Overijssel wordt hij door twee derde van het gewest als zodanig erkend.
----
Geboren:
- 26 mei - John Churchill, 1e hertog van Marlborough, Engels veldheer
- 14 november - Stadhouder Willem III van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en koning van Engeland.
- 28 november - Jan Palfijn, Vlaams verloskundige
----
Overleden:
- 11 februari - René Descartes, Frans wiskundige en filosoof.
- 6 november - prins stadhouder Willem II (24). Bezwijkt aan de pokken. Enige zoon van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Was graaf van Nassau en stadhouder van Groningen, Overijssel, Gelderland, Holland, Zeeland en Utrecht.
Categorie:17e eeuw
ko:1650년
simple:1650
Holland:Zie Holland (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Holland
Holland is een streek in het westen van Nederland, die tegenwoordig vooral opgedeeld is in de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. Die twee provincies zijn echter niet gelijk aan de streek Holland.
De naam is afkomstig van Holtland of Holdland, dus: hout-land, een streek (vermoedelijk) bij Leiden.
De naam wordt in het buitenland vaak, bij wijze van pars pro toto, als metoniem voor geheel Nederland gebruikt. Ook in Nederland gebeurt dit; het Nederlands Bureau voor Toerisme gebruikt de naam Holland als merknaam vanwege de grote naamsbekendheid.
Grenzen van Holland globaal genomen
In het noorden wordt de streek Holland globaal gezien begrenst door de oude grens van het IJ, aan de andere kant ligt West-Friesland, al worden sommige delen erboven ook wel tot Holland gerekend. In het zuiden ligt de grens voorbij de Biesbos. Plaatsen als Moerdijk en Geertruidenberg liggen in Holland en plaatsen als Wagenberg en Oosterhout behoren tot Brabant. Tegenwoordig liggen al die plaatsen in de provincie Noord-Brabant.
Grens in het oosten lag veel dichter bij de grens van de stad Utrecht, zo lag ooit het gebied Lopikerwaard in Holland. De Lopikwaard is echter ook tijd een soort wildernis geweest wegens ruzie tussen Utrecht, Gelre en Holland, en zo verschoven de gebieden nog wel eens vanwaar ze bij behoorde. Ook de gebieden Vijfherenlanden en Neder-Betuwe was veel om te doen. Zo viel de in Gelderland gelegen Buren bij Holland omdat deze toen nog graafschap in handen was van de graven van Holland. De grens bij Gorinchem lag in het begin, voor de 15e eeuw, verder te oosten dan nu, maar de grens was vanaf 1425 ongeveer bij die plaats.
In een wat bredere zin wordt Holland vaak gelijk geschakeld aan met name de provincie Holland en West-Friesland van na de Bataafse periode, die toen ook wel formeel Holland werd genoemd. En anno 2005 wordt vaak ook alleen de provincies Noord- en Zuid-Holland als Holland gezien.
Graafschap Holland
Holland begon als graafschap in 1076, gesticht door graaf Dirk V. Holland heeft een zeer lange tijd een personele unie gevormd met de graafschappen Henegouwen en Zeeland, vanaf Jan II van Holland in 1299. In dat jaar werd de naam ook omgedoopt in Holland en West-Friesland, dit omdat de Hollanders de Westfriezen wel hadden onderworpen maar men, om de Friestalige bevolking van dit gebied niet al te veel te prikkelen, hiermee het afzonderlijke karakter van dit gebied wilde onderstrepen.
Het graafschap Holland en West-Friesland was een graafschap van het Heilige Roomse Rijk. Het grondgebied omvatte ongeveer het grondgebied van de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland. In 1346 kwam Holland onder het huis van Beieren, totdat Jacoba van Beieren in 1428 bij de Zoen van Delft werd gedwongen het af te staan aan de Bourgondiërs. Onder keizer Karel V maakte Holland deel uit van de Zeventien Provinciën.
Gewest Holland
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog speelde de provincie Holland en West-Friesland een belangrijke rol in het verzet tegen de Spanjaarden. Na de Unie van Utrecht in 1579 werd het deel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en werd Holland daarvan het leidende gewest, de provincie was verdeeld in gewest Holland en gewest West-Friesland.
In 1798, bij de vorming van de Bataafse Republiek, werd de provincie Holland en West-Friesland op een andere manier verdeeld en wel over de departementen van Texel (van Vlie tot Rijn), van de Amstel (omgeving Amsterdam), van de Delf (Holland ten zuiden van de Rijn, zonder de eilanden) en van Schelde en Maas (Holland en Zeeuwse eilanden), terwijl het zuidoosten bij het departement van de Rijn werd gevoegd. In 1807, de Bataafse Republiek was inmiddels omgevormd tot Koninkrijk Holland, werd Holland weer anders opgedeeld, namelijk in de departementen Amstelland en Maasland. In 1814 kwam daar een eind aan.
Huidige situatie
In 1815 werd Holland weer samen met West-Friesland een provincie in het Koninkrijk der Nederlanden. Om de dominantie van het gewest Holland te verminderen werd de provincie in 1840, bij het aftreden van Koning Willem I, gesplitst in de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. In de jaren daarna werd nog regelmatig met gebieden geschoven onder de twee provincies en ook met de andere aanliggende provincies (zoals in 1942 toen de eilanden Vlieland en Terschelling bij de provincie Friesland werd ingedeeld).
zie ook: Graven van Holland
Externe links
- [http://www.holland.com/corporate/marketingpromotie/branding/index.html Nederlands Bureau voor Toerisme]
Categorie:Geschiedenis van Nederland
Categorie:Historisch land in de Nederlanden
zh-min-nan:Hô-lân (tē-tài)
Zeeland (provincie)
Zeeland is een provincie in zuidwest Nederland. De provincie bestaat uit een aantal (schier)eilanden en een strook vasteland langs de grens met België. De naam 'Zeeland' is hiervan afgeleid.
Geografie
België
De schiereilanden en de voormalige eilanden zijn:
- Zuid-Beveland (schiereiland samen met Walcheren)
- Walcheren (schiereiland, grenst alleen aan Zuid-Beveland)
- Noord-Beveland (voormalig eiland)
- Tholen (voormalig eiland)
- Schouwen-Duiveland (voormalig eiland)
- Sint-Philipsland (schiereiland)
- Zeeuwsch-Vlaanderen dat eigenlijk geen eiland of schiereiland is, maar alleen door een tunnel of over land (België) te bereiken is
De belangrijkste zeearmen tussen de (schier)eilanden zijn:
- Westerschelde tussen Zeeuwsch-Vlaanderen en Walcheren / Zuid-Beveland
- Veerse Meer tussen Noord-Beveland en Zuid-Beveland / Walcheren.
- Oosterschelde tussen Noord-Beveland / Zuid-Beveland en Schouwen-Duiveland. De eilanden Tholen en Sint-Philipsland splitsen de Oosterschelde in een noordelijke en zuidelijke arm.
- Grevelingen tussen Schouwen-Duiveland en het Zuid-Hollandse Goeree-Overflakkee
De hoofdstad is Middelburg. Vlissingen en Terneuzen zijn belangrijke havenplaatsen met grote industriegebieden. Goes ligt centraal in Zeeland. Deze vier plaatsen zijn met 30000-50000 inwoners de enige grote plaatsen in Zeeland. Andere grotere plaatsen, met ruim 10000 inwoners, zijn Hulst, en Zierikzee. Daarnaast zijn er veel kleine historische stadjes, zoals Veere, Tholen en Sluis, en vele dorpen en gehuchten.
In Zeeland is er vooral veel akkerbouw. Daarnaast is er fruitteelt in de zogenaamde Zak van Zuid-Beveland, bloementeelt op Tholen, en zijn er grote kassencomplexen in de buurt van Rilland en Kapelle.
In Zeeland is er met name kleigrond, doorsneden met vaarten en (voormalige) kreken. In het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen is er zandgrond. Buiten de dijken liggen schorren en slikken. Langs de kust zijn er duingebieden. Op Schouwen-Duiveland is er een zeer breed duingebied. Ook aan de kust van Zeeuws-Vlaanderen en de noordelijke kust van Walcheren zijn er brede duingebieden. Het duingebied aan de zuidelijke kust van Walcheren is zeer smal.
Gemeenten
slik
Zie ook:
- Lijst van steden en dorpen in Zeeland
- Lijst van voormalige gemeenten in Zeeland
- Lijst van gouverneurs en Commissarissen van de Koning(in) van Zeeland
- Zeeland, voor ander betekennisen van Zeeland
Geschiedenis
Zeeland
Zeeland werd al voor de tijd van de Romeinen bewoond. Uit die tijd stammen ook de beelden van o.a. de Godin Nehalennia, die door vissers in de Oosterschelde zijn gevonden.
Sinds de Middeleeuwen is de strijd tegen het water een rode draad door de geschiedenis. Aanwinning en verlies van land wisselden elkaar af. Vrijwel de hele provincie (behalve de duinstreek) ligt op of onder zeeniveau. Het landschap is een lappendeken van polder(tje)s en dijken. De geografie van Zeeland is in de loop van de tijd grondig gewijzigd. De vele kleinere eilanden zijn langzamerhand samengegroeid tot de grotere (schier)eilanden die we nu kennen. Andere voormalige bewoonde gebieden staan nu onder water (o.a. verdronken land van Saeftinge).
Tijdens de 16e en 17e eeuw heeft Zeeland, evenals Holland, een grote bloeiperiode doorgemaakt. Een aantal nu vrij kleine steden (zoals Middelburg, Vlissingen, Goes en Zierikzee) speelden toen een significante rol in de Lage Landen. Vanuit Zeeland was er veel zeevaart: visserij, koophandel (waardoor Zeeland een koloniaal en slavernijverleden heeft), en ook voor oorlogsdoeleinden.
Met de komst van de spoorwegen werden Zuid-Beveland en Walcheren in de 19e eeuw door middel van dammen met het vasteland van Noord-Brabant verbonden. Sinds 1870 zijn Vlissingen, Middelburg en Goes per trein met Bergen op Zoom en Roosendaal verbonden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Zeeland verschillende keren van strategisch belang geweest. Hierdoor hebben een aantal steden en gebieden veel te lijden gehad onder gevechten, bombardementen en inundaties. Met name het aanzien van het eiland Walcheren en de stad Middelburg is hierdoor grondig verandert.
Een met name in de jaren '50 politiek beladen onderwerp was de kwestie van de Vrije Veren over de Westerschelde. Vooral in Zeeuws-Vlaanderen zorgde dit voor de nodige commotie.
In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werd Zeeland getroffen door de Watersnoodramp van 1953. Om een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen, werden vanaf 1960 de Deltawerken uitgevoerd. Een neveneffect hiervan was dat de verbindingen met de rest van Nederland aanzienlijk werden verbeterd. Ook hierover was veel rumoer, met name over de afsluiting van de Oosterschelde. In 1987 werden de Deltawerken voltooid. De economische en sociale structuur van de Zeeuwse eilanden is door de komst van de vaste oeververbindingen sterk veranderd. Het vroeger geïsoleerd liggende gebied is nu binnen een uur te bereiken vanuit de diverse grote steden. Het toerisme heeft een grote vlucht genomen.
Taal
Zeeland bestond voorheen uit een aantal geïsoleerde eilanden. Het is dus niet verwonderlijk dat elke streek zijn eigen dialect heeft. Toch vertonen de Zeeuwse eilanden, met Goeree-Overflakkee, een relatieve eenheid in taal. Het Zeeuws is in wezen een overgang van het Hollands naar het West-Vlaams. In Zeeuwsch-Vlaanderen spreekt men dialecten die sterk van het Zeeuws afwijken: West-Vlaams in het westen en midden, Oost-Vlaams rond Hulst. In een aantal dorpen is het dialect nog oppermachtig.
Cultuur en folklore
Vooral het agrarische Zeeland heeft heel lang zijn eigen cultuuruitingen kunnen vasthouden. Bekend zijn de Zeeuwse klederdrachten, die nu nog wel door oudere vrouwen worden gedragen en bij speciale gelegenheden veelvuldig worden aangetrokken. De boeren op Walcheren onderhouden de traditie van het ringsteken: op een feestdag in augustus probeert men gezeten op een (Zeeuws) paard een lans door een ring te steken. Ook de streekproducten, zoals de boterbabbelaars en de bolussen, worden sterk met Zeeland geassocieerd en vinden bij toeristen gretig aftrek. Verder worden de dialecten (zie boven) tot het Zeeuwse cultuurgoed gerekend, en associeert men de provincie sterk met de Gereformeerde Gemeenten.
Wapen
Gereformeerde Gemeenten
Het Zeeuwse wapen laat een leeuw zien, die worstelt met de golven. De wapenspreuk luidt Luctor et Emergo (Latijn voor 'ik worstel en kom boven'). De relatie tussen wapen en spreuk lijkt overduidelijk, maar schijn bedriegt. Eigenlijk bestaat het Zeeuwse wapen uit twee gedeelten: de bovenste helft toont een 'klimmende leeuw', voor de helft afgebeeld, en de onderste helft toont geen zee, maar zes golvende banen. Bovendien slaat de tekst niet op het gevecht met de zee, maar op het gevecht met Spanje in de Tachtigjarige oorlog.
Infrastructuur
Een architectonisch hoogstandje is de Zeelandbrug die sinds 1965 Schouwen-Duiveland met Noord-Beveland verbindt. Het was enige tijd de langste brug ter wereld.
Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen worden sinds 2003 verbonden door de 6600 m lange Westerscheldetunnel. De veerdiensten over de Westerschelde werden daardoor opgeheven.
Bekende Zeeuwen
- Jan Peter Balkenende, politicus
- Buys Ballot, natuurkundige
- Danny Blind, voetballer
- Jacob Cats, dichter en jurist
- Honoré Colsen
- Johan Hendrik van Dale, schoolmeester en grondlegger van de Dikke Van Dale
- Dick Dees, politicus
- Rinus Ferdinandusse, schrijver
- Wim van Hanegem, voetballer
- Leo van de Ketterij, gitarist en componist
- Carolyn Lilipaly, presentatrice
- Theofiel Middelkamp, wielrenner
- Geert van Oorschot, uitgever
- Jan Raas, wielrenner
- Jo de Roo, wielrenner
- Michiel de Ruyter, admiraal
- Annie M.G. Schmidt, schrijfster
- Harmen Siezen, nieuwslezer
- Annelies Verstand, politica
- Hans Warren, schrijver
Categorie:Zeeland
ja:ゼーラント州
Utrecht (provincie)
|
|-
|
|-
|
|{|
|-----
|
- Abcoude
- Amerongen
- Amersfoort
- Baarn
- Breukelen
- Bunnik
- Bunschoten
- De Bilt
- De Ronde Venen
- Doorn
- Driebergen-Rijsenburg
- Eemnes
- Houten
- IJsselstein
- Leersum
- Leusden
- Loenen
|
- Lopik
- Maarn
- Maarssen
- Montfoort
- Nieuwegein
- Oudewater
- Renswoude
- Rhenen
- Soest
- Utrecht
- Veenendaal
- Vianen
- Wijk bij Duurstede
- Woerden
- Woudenberg
- Zeist
|{{{
Groningen (provincie)
|
|-
|
|-
|
|{| BORDER="1"CELLSPACING ="0" BGCOLOR="#FFFFCC"|{NederlandseProvincies{Koninkrijk Holland
WesterwoldeWesterwolde is een streek in Oost-Groningen rondom de riviertjes Ruiten Aa, Mussel Aa en Westerwoldse Aa. Ten westen en zuiden van Westerwolde liggen de Veenkoloniën, ten noorden het Reiderland en ten oosten het Emsland (Duitsland). De dorpen Ter Apel, Sellingen, Vlagtwedde, Onstwedde, Wedde, Vriescheloo, Bellingwolde horen bij deze voormalige heerlijkheid. De loop van de westgrens van deze vroegere heerlijkheid door de uitgestrekte veengebieden is vastgesteld in de 17e eeuw. Dit werd de de Semslinie. Door de vaststelling van deze grens kon de ontginning van de veengebieden beginnen en is de Kanaalstreek ontstaan. Wanneer we de Semslinie nog steeds als westgrens laten gelden van Westerwolde, dan horen ook Stadskanaal en Musselkanaal bij dit gebied. In veel literatuur onderscheidt men de Kanaalstreek echter van Westerwolde vanwege het veenkoloniale karakter. Het vestingdorpje Bourtange ligt aan een oude verbindingsweg tussen deze streek en Duitsland. Westerwolde is samen met het Reiderland de meest oostelijke streek van Nederland. Het ligt grotendeels ten oosten van 7° oosterlengte.
Geschiedenis
In Westerwolde zijn veel archeologische vondsten gedaan. In de naburige veenkoloniën zijn zoals bij Hoetmansmeer voorwerpen gevonden uit de Midden Steentijd tot ongeveer 6.000 jaar voor het begin van de jaartelling. Daarna begon de veenvorming in dit gebied en werden de mensen verdreven. Westerwolde is daarentegen bewoond gebleven tot ongeveer 200 jaar v. Chr. Er zijn veel urnenvelden en restanten van grafheuvels ontdekt. De jongste graven met urnen uit die tijd zijn zeer goed geconserveerd gebleven doordat ze vermoedelijk vrij kort na aanleg door het veen zijn overgroeid. Westerwolde is waarschijnlijk weer bewoond geraakt rond 600 - 700 na het begin van de jaartelling. Uit die tijd zijn weer graven met urnen gevonden. Ook is er bij de Hasseberg een veenbrug gevonden uit die tijd. De bevolking stamt dan waarschijnlijk uit het oosten: het Eemsgebied.
Westerwolde is daarna lange tijd een sterk geïsoleerde streek geweest. Het lag als een wig in het grootste moerasgebied van West-Europa: het Bourtangerveen. De streek was aanvankelijk in leen bij het klooster van Corvey (nabij Höxter) van waaruit de kerstening van het gebied werd opgezet. Dit klooster had een nevenvestiging in Meppen, die hier een centrale rol in speelde. Corvey gaf Westerwolde in de tweede helft van Middeleeuwen weer in leen aan het geslacht Addinga dat hun land waren kwijtgeraakt door het oprukken van de Dollard. Deze heren bouwden het slot te Wedde en voerden een hardvochtig bewind. De bevolking van Westerwolde kwam daar in de 15e eeuw tegen in opstand. In 1530 kwam het gebied in handen van de Graaf van Gelre, maar al in 1536 werd het veroverd door de troepen van Keizer Karel V.
In 1593 veroverde Willem Lodewijk van Nassau het gebied voor de Staten-Generaal. Het werd in 1619 verkocht en werd eigendom van de stad Groningen. De geïsoleerde positie verdween toen het Bourtangerveen werd ontgonnen vanaf de 17e tot in de twintigste eeuw.
Landschap
Esdorpenlandschap
Groningen
De ruggengraat van het landschap van Westerwolde is vanouds een esdorpenlandschap, met op de hogere zandruggen akkercomplexen die werden bemest met schapenmest. Deze schapen graasden op de hei en overnachtten in de potstal. De daar opgehoopte schapenmest werd gemengd met plaggen en op de es gebracht. Sommigen esdorpen ontwikkelden een soort dochterdorpen, de zogenaamde essenzweemdorpen. Smeerling, dat een beschermd dorpsgezicht is, en Ter Maarsch zijn hier een voorbeeld van. Langs de riviertjes en beekjes lagen de hooi- en weilanden. Bij Onstwedde (de Onstwedder Holte) en bij Sellingen (de Hasseberg) liggen morenes uit het Drenthestadium van de op één na laatste ijstijd, het Saalien. Bij Sellingen bevindt zich een boscomplex waarin zich nog een paar restanten bevinden van het vroegere heidelandschap. Tevens is daar een zandafgraving en ook zijn er langs de Ruiten Aa enkele rivierduintjes zoals bij Ter Wupping. Bij Smeerling ligt het Metbroekbos, een voor Nederlandse begrippen erg oud bos. De riviertjes en beekjes hebben hun waterafvoerende functie verloren door de aanleg van kanalen als het Mussel-Aakanaal en het Ruiten Aakanaal.
Grootschalige ruilverkavelingen hebben veel kenmerken van het esdorpenlandschap doen verdwijnen. Het landschap is daardoor opener geworden. Sinds de jaren negentig maakt het gebied waardoor de Ruiten Aa stroomt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur, waardoor veel gronden verworven zijn door natuurbeschermingsorganisaties als Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Ook is er op bepaalde terreinen aan natuurbouw gedaan.
Streekdorpenlandschap
In het noorden van Westerwolde bevinden zich streekdorpen als Bellingwolde en Vriescheloo. Deze dorpen liggen op de grens van het zandgronden van Westerwolde en de klei van de Dollardpolders. Vanuit deze dorpen is steeds verder land gewonnen op de Dollard toen dit hoog genoeg opslibt om voor de landbouw opslibde. Dat gebeurde door middel van opstrekkende verkaveling, dat wil zeggen dat dat het land verlengd werd vanaf de eigen gronden de nieuw aangweonnen polders. Hierdoor onstonden langerekte kavels. De vruchtbare kleigronden zorgden voor veel meer welvaart onder de boeren dan op de zandgronden. Dit gebied vormt dan ook het overgangszonde naar het Oldambt waar im de negentiende eeuw ook een standsverschil bestond tussen rijke grondbezittende boeren en arme knechten. De landbouw van dit gebied nam in de negentiende eeuw een vooraanstaande plaats wat betreft de teelt van Engels en Italiaans raaigras. Hier, op de grens van Oldambt en Westerwolde, werd het Westerwolds raaigras (Lolium multiflorum ssp. alternativum), een voor groenbemesting veel toegepaste éénjarige grassoort, gekweekt. Blijhamster boeren kregen vermoedelijk zaad van Italiaans raaigras van de toenmalige burgemeester Borgesius van Oude Pekela (1860-1880). Hiervan werd al in het jaar van uitzaai zaad gewonnen en zo werd geselecteerd naar het 1-jarige type. De Winschoter tuinders kochten het zaad van de boeren en verhandelde dat onder de naam Westerwolds raaigras.
De ruilverkavelingen van de jaren zestig heeft het landschap nog grootschaliger gemaakt: de opstrekkende verkaveling is verdwenen.
Ontginningslandschap
Vanaf de negentiende tot ver in de twintigste eeuw zijn de heidevelden en veengebieden van Westerwolde ontgonnen. Hierdoor ontstond het ontginningsland dat gekenmerkt wordt door rationele verkaveling en openheid. Hierin liggen dorpen als Hebrecht en Harpel. Met name bij Sellingen zijn in de jaren dertig tot en met de jaren vijftig van de twinitgste eeuw bossen geplant op de heidevelden. Hier liggen de bossen met de grootste omvang van Westerwolde: De 600 ha grote Sellinger bossen. Direct ten zuiden ervan liggen de bossen van Ter Borg waar een 35 ha groot restant van de voormalig uitgestrekte heidevelden bewaard is gebleven. Het is gelijk wel het grootste heidegebied van de provincie Groningen.
Dialect
In Westerwolde wordt het Westerwolds, een Groningse variant van het Nedersaksisch, gesproken. In tegenstelling tot het overgrote deel van de provincie Groningen is er nooit Fries gesproken en heeft het altijd een Saksisch karakter gehad. Dat komt tot uitdrukking in woorden als "nich" in plaats van "nait" voor "niet" en "Jawol" voor "ja". Het officiële Westerwolds komt bijna geheel overeen met het Nedersaksisch dat in het Emsland en Oost-Friesland gesproken wordt. Overigens verdwijnt dit Westerwoldse taaleigene langzamerhand. De streek heeft van oudsher een sterk protestants karakter, dit in tegenstelling tot de omliggende gebieden.
Economie
De streek is grotendeel agrarisch georiënteerd. Er waren aanvankelijk veel gemengde bedrijven, maar er heeft zich veel specialisatie voorgedaan waarbij veel gekozen is voor akkerbouw. De belangrijkste akkerbouwgewassen zijn suikerbieten en aardappels. Ook werd er graan verbouwd. Eind twintigste, begin eenentwintigste stopten veel agrarische bedrijven.
Tegenwoordig wordt de streek geleidelijk aan verder ontwikkeld voor het toerisme. Een probleem hierbij is dat Oost-Groningen bij veel Nederlanders een wat negatieve klank heeft als een afgelegen en saai gebied. De rust en ruimte van het landschap zijn de sterke punten. Het dorpje Bourtange trekt inmiddels veel toeristen door de gereconstrueerde vesting. Het Ruiten Aakanaal is voor de pleziervaart weer bevaarbaar gemaakt. Bij Vlagtwedde is het vakantiebungalowcomplex Emslanderparc gerealiseerd. Ook het recreatiegebied De Wedderbergen bij Wedde is van belang.
Externe links
- [http://home.planet.nl/~bouwl003/dutch/detailswest.html#westerwolde Geschiedenis van Westerwolde]
categorie:Groningen
CalvinismeCalvinisme is een hoofdstroming van het protestantse christendom, gebaseerd op de theologische, en daaruit voortvloeiende sociale en politieke leer van de hervormer Johannes Calvijn (1509-1564). In hoeverre het latere calvinisme afwijkt van of overeenkomt met het oorspronkelijke gedachtegoed van Calvijn is een studie op zich. De rechtvaardigingsopvattingen van het jansenisme worden ook wel eens geïnterpreteerd als verlate invloed van het calvinisme op de Katholieke Kerk.
Katholieke Kerk
Het calvinisme zorgde voor 'de tweede reformatorische golf', nadat aanhangers van het lutheranisme van de grote hervormer Maarten Luther de eerste vervolgingen hadden ondervonden. Het calvinisme had grote invloed in onder meer Frankrijk, Schotland, (waar John Knox het calvinistische denken verbreidde, waarmee de Schotse Reformatie begon), delen van Zwitserland en de Nederlanden. De leer sloeg ook in bij de puriteinen in Engeland en in de Verenigde Staten, waar het nog te vinden is in de presbyteriaanse en congregationalistische kerken aldaar. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn belangrijkste werk Institutie.
Inhoud van de leer van Calvijn
- De leer van God, de schepping en voorzienigheid
- Zijn christologie (leer omtrent Jezus Christus)
- Zijn soteriologie (leer omtrent de zonde)
- Zijn verlossingsleer
- de rechtvaardiging door het geloof (Sola fide)
- de betekenis van de verlossing
- Geloof en wedergeboorte
- De predestinatieleer
- Ecclesiologie (de leer van de christelijke gemeente), de sacrament
- De relatie tussen Kerk en Staat.
- De rol van het calvinisme in de Reformatie
- Vergelijking calvinisme en rooms-katholicisme
- Vergelijking calvinisme en lutheranisme
- De Heidelbergse Catechismus
- De hugenoten
- Calvijn en het calvinisme
- Karl Barth en het neocalvinisme
- De gereformeerde kerken in Nederland
Kenmerken
Voorop staat de erkenning van Gods volstrekte soevereiniteit over het leven en de noodzakelijkheid voor de mens om Hem te kennen en te dienen en zo Hem te verheerlijken op alle terreinen. Hiermee gaat gepaard de belijdenis niet alleen van de afhankelijkheid van alle schepselen ten opzichte van Gods raad en bestel, maar ook van het volstrekte verderf als gevolg van de zonde, waardoor de mens uit zich zelf onmachtig is tot het zedelijk goede. Uitsluitend aan Gods verkiezende genade in Christus is het te danken, dat er uit de wereld een uitverkoren gemeente wordt bijeengebracht. Het heil dat in de weg van het verbond aan deze gemeente toekomt, is gegrond op het werk van Christus, die haar tegelijk door de Heilige Geest roept en bekwaamt tot een leven van heiligmaking en gehoorzaamheid.
Alle eerbare arbeid wordt beschouwd als het vervullen van een goddelijke roeping. Ook het uitlenen van geld tegen een matige rente, wat in de eeuwen vóór de Reformatie door de Pausen en patriarchen werd veroordeeld, ontmoet bij dit standpunt geen bezwaar. Hieruit evenwel af te leiden dat het calvinisme verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van het moderne kapitalisme, is niet juist. Bij alle bereidheid om de wereld te aanvaarden, kent het namelijk evenzeer de roeping zich van de wereld los te maken. Want het aardse leven behoort steeds te worden gezien in het licht van de eeuwigheid. De overdenking van het toekomstige leven geeft aan de houding van de christen een eigenaardig naar de hemel toegekeerd karakter. De vrijheid die hij in Christus bezit, betekent voor hem de gebondenheid aan Gods wet, die leidt tot een strenge zedelijkheid en een voortdurende tuchtoefening van zichzelf.
In het calvinisme heeft men de oorsprong en waarborg van de constitutionele vrijheden willen zoeken. Dit is evenwel slechts juist wanneer men let op een latere ontwikkeling. Oorspronkelijk heeft het calvinisme aangedrongen op het straffen van ketters (niet-calvinisten) door de overheid, aan welke een bepaalde taak ook ten opzichte van de kerk werd toegedacht. Men spreekt in dat verband veelal van een theocratische opvatting. Zo werd in het Zwitserse calvinistische Genève een streng anti-katholiek régime gesteund door Johannes Calvijn zelf.
In landen waar het calvinisme staatsgodsdienst werd, zoals de-facto in de Republiek der Zeven Provinciën (Nederland), ging het gepaard met systematische dekatholisering van kerkgebouwen en stads- en dorpskernen. Er werd een processieverbod opgelegd en tijdens de Beeldenstorm, een uit Vlaanderen overgewaaide religieuze woede aangevuurd door Calvinistische predikanten, gingen reeds grote kunstschatten van de Rooms-katholieke Kerk verloren. Na en tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd geheel Nederland onderworpen aan het Calvinisme. Katholieke kerken werden onteigend, de katholieke godsdienst verboden en katholieken werden uitgesloten van ambtelijke functies en diensten. Tevens werd de adel verplicht over te gaan naar het Calvinisme wilde men zijn goederen behouden. Slechts een klein deel van de adel ging niet over naar het Calvinisme. De Nederlandse Reformatie is, tezamen met het latere puriteinse regime in Engeland, een schoolvoorbeeld van het Calvinisme in de oorspronkelijke praktijk.
Niettemin is het de verdienste van Calvijn, dat hij van het begin af is opgekomen voor de zelfstandigheid van de kerk ten opzichte van de staat, al heeft hij dan niet terstond de volle consequenties van dit beginsel gezien en in praktijk gebracht. Ook het belang van de vrije ontwikkeling van wetenschap en kunst is door het calvinisme later begrepen, vooral de beeldhouwkunst stond in een slecht daglicht wegens de Calvinistische interpretatie van het verbod op beeldenafgoderij in de Schrift.
Calvinisme wereldwijd
Het calvinisme is niet aan een bepaald volk of een bepaalde cultuur gebonden. Het heeft in verschillende landen van Europa en in andere delen van de wereld een krachtige voedingsbodem gevonden. Elders is het, ondanks de aanwezige innerlijke affiniteit, door geweld en vervolging verdrongen. De invloed van het calvinisme heeft zich vooral doen gelden in Zuid-Afrika, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Hongarije, Engeland, Schotland en de Verenigde Staten; vroeger ook in Polen en Oostenrijk. De grootste calvinistische stromingen in Zuid-Afrika (vooral bij Afrikaanstaligen) zijn o.a. van de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk, bij de Engelstaligen heerst het Anglicanisme en Methodisme.
Zie ook
- Johannes Calvijn
- Jansenisme
- Protestantisme
- Christendom
- Hugenoten
- Lutheranisme
- Reformatie
- Lijst van religies
Categorie:Calvinisme
/ - Inhoud van de leer van Calvijn - /
Inhoud van de leer van Calvijn
- De leer van God, de schepping en voorzienigheid
- Zijn christologie (leer omtrent Jezus Christus)
- Zijn soteriologie (leer omtrent de zonde)
- Zijn verlossingsleer
- de rechtvaardiging door het geloof (Sola fide)
- de betekenis van de verlossing
- Geloof en wedergeboorte
- De predestinatieleer
- Ecclesiologie (de leer van de christelijke gemeente), de sacrament
- De relatie tussen Kerk en Staat.
- De rol van het calvinisme in de Reformatie
- Vergelijking calvinisme en rooms-katholicisme
- Vergelijking calvinisme en lutheranisme
- De Heidelbergse Catechismus
- De hugenoten
- Calvijn en het calvinisme
- Karl Barth en het neocalvinisme
- De gereformeerde kerken in Nederland
Kenmerken
Voorop staat de erkenning van Gods volstrekte soevereiniteit over het leven en de noodzakelijkheid voor de mens om Hem te kennen en te dienen en zo Hem te verheerlijken op alle terreinen. Hiermee gaat gepaard de belijdenis niet alleen van de afhankelijkheid van alle schepselen ten opzichte van Gods raad en bestel, maar ook van het volstrekte verderf als gevolg van de zonde, waardoor de mens uit zich zelf onmachtig is tot het zedelijk goede. Uitsluitend aan Gods verkiezende genade in Christus is het te danken, dat er uit de wereld een uitverkoren gemeente wordt bijeengebracht. Het heil dat in de weg van het verbond aan deze gemeente toekomt, is gegrond op het werk van Christus, die haar tegelijk door de Heilige Geest roept en bekwaamt tot een leven van heiligmaking en gehoorzaamheid.
Alle eerbare arbeid wordt beschouwd als het vervullen van een goddelijke roeping. Ook het uitlenen van geld tegen een matige rente, wat in de eeuwen vóór de Reformatie door de Pausen en patriarchen werd veroordeeld, ontmoet bij dit standpunt geen bezwaar. Hieruit evenwel af te leiden dat het calvinisme verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van het moderne kapitalisme, is niet juist. Bij alle bereidheid om de wereld te aanvaarden, kent het namelijk evenzeer de roeping zich van de wereld los te maken. Want het aardse leven behoort steeds te worden gezien in het licht van de eeuwigheid. De overdenking van het toekomstige leven geeft aan de houding van de christen een eigenaardig naar de hemel toegekeerd karakter. De vrijheid die hij in Christus bezit, betekent voor hem de gebondenheid aan Gods wet, die leidt tot een strenge zedelijkheid en een voortdurende tuchtoefening van zichzelf.
In het calvinisme heeft men de oorsprong en waarborg van de constitutionele vrijheden willen zoeken. Dit is evenwel slechts juist wanneer men let op een latere ontwikkeling. Oorspronkelijk heeft het calvinisme aangedrongen op het straffen van ketters (niet-calvinisten) door de overheid, aan welke een bepaalde taak ook ten opzichte van de kerk werd toegedacht. Men spreekt in dat verband veelal van een theocratische opvatting. Zo werd in het Zwitserse calvinistische Genève een streng anti-katholiek régime gesteund door Johannes Calvijn zelf.
In landen waar het calvinisme staatsgodsdienst werd, zoals de-facto in de Republiek der Zeven Provinciën (Nederland), ging het gepaard met systematische dekatholisering van kerkgebouwen en stads- en dorpskernen. Er werd een processieverbod opgelegd en tijdens de Beeldenstorm, een uit Vlaanderen overgewaaide religieuze woede aangevuurd door Calvinistische predikanten, gingen reeds grote kunstschatten van de Rooms-katholieke Kerk verloren. Na en tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd geheel Nederland onderworpen aan het Calvinisme. Katholieke kerken werden onteigend, de katholieke godsdienst verboden en katholieken werden uitgesloten van ambtelijke functies en diensten. Tevens werd de adel verplicht over te gaan naar het Calvinisme wilde men zijn goederen behouden. Slechts een klein deel van de adel ging niet over naar het Calvinisme. De Nederlandse Reformatie is, tezamen met het latere puriteinse regime in Engeland, een schoolvoorbeeld van het Calvinisme in de oorspronkelijke praktijk.
Niettemin is het de verdienste van Calvijn, dat hij van het begin af is opgekomen voor de zelfstandigheid van de kerk ten opzichte van de staat, al heeft hij dan niet terstond de volle consequenties van dit beginsel gezien en in praktijk gebracht. Ook het belang van de vrije ontwikkeling van wetenschap en kunst is door het calvinisme later begrepen, vooral de beeldhouwkunst stond in een slecht daglicht wegens de Calvinistische interpretatie van het verbod op beeldenafgoderij in de Schrift.
Calvinisme wereldwijd
Het calvinisme is niet aan een bepaald volk of een bepaalde cultuur gebonden. Het heeft in verschillende landen van Europa en in andere delen van de wereld een krachtige voedingsbodem gevonden. Elders is het, ondanks de aanwezige innerlijke affiniteit, door geweld en vervolging verdrongen. De invloed van het calvinisme heeft zich vooral doen gelden in Zuid-Afrika, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, Duitsland, Hongarije, Engeland, Schotland en de Verenigde Staten; vroeger ook in Polen en Oostenrijk. De grootste calvinistische stromingen in Zuid-Afrika (vooral bij Afrikaanstaligen) zijn o.a. van de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk, bij de Engelstaligen heerst het Anglicanisme en Methodisme.
GeneraliteitslandenGeneraliteitslanden waren gebieden die in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder direct bestuur van de Staten-Generaal vielen. In tegenstelling tot de zeven gewesten – Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland en Zeeland – hadden zij geen stem in het landsbestuur. Het waren voornamelijk Rooms-katholieke gebieden die in een later stadium van de Tachtigjarige Oorlog op Spanje veroverd waren. Ze fungeerden als "bezette gebieden" — als buffer tussen de Republiek en de Spaanse respectievelijk Oostenrijkse Nederlanden.
De generaliteitslanden waren:
- Staats-Brabant, ruwweg de huidige provincie Noord-Brabant.
- Staats-Vlaanderen, het huidige Zeeuws-Vlaanderen.
- Staats-Opper-Gelre (Overkwartier), de streek rond Venlo. Een groot deel van Opper-Gelre bleef Spaans en werd later geannexeerd door Pruisen (1702). Een ander deel werd Oostenrijks.
- Staats-Limburg of Staats-Overmaas, de streek rond Maastricht, delen van het huidige Zuid-Limburg.
- Westerwolde en Wedde, het zuidoosten van de huidige provincie Groningen, dat even ook een generaliteitsland was, van 1594 tot 1619.
Gebieden buiten Europa werden vaak ook in naam van de Staten geclaimd, zie het Staten Island bij Nieuw-Amsterdam of het Stateneiland aan de zuidkust van Argentinië.
Er waren nog andere gebieden die geen generaliteitslanden waren en tot geen der gewesten behoorden, maar wel op verschillende manieren in politiek opzicht verbonden waren met de Republiek, namelijk:
- de Landschap Drenthe
- het Graafschap Oost Friesland
- een reeks kleinere heerlijkheden:
- het Graafschap Lingen
- het Graafschap Buren
- de Vrijheerlijkheid Ameland
- de Heerlijkheid Vianen (tot 1725)
- de Heerlijkheid Culemborg (tot 1720)
- het Graafschap Leerdam
- de Heerlijkheid Asperen
- de Baronie IJsselstein
- het Graafschap Megen
- de Heerlijkheid Bokhoven
- het Ambt Oeffelt
- de Baronie van Boxmeer
- de Heerlijkheid Batenburg
- de Heerlijkheid Ravenstein
- Luijksgestel (Luiks)
- het Graafschap Bergh (Pruisisch)
- het ambt Liemers, Huissen, Wehl en Gennep (Pruisisch)
- de Commanderij Gemert (Duitse Orde)
Categorie:Tachtigjarige Oorlog
Categorie:Historisch land in de Nederlanden
Spanje
|
|-
|]
|-
|
|{{{
Amalia van Solms
Amalia van Solms (Braunfels, 31 augustus 1602 - Den Haag 8 september 1675), Gravin van Braunfels, was de vrouw van Frederik Hendrik van Oranje.
Amalia van Solms-Braunfels werd op 31 augustus 1602 geboren als dochter van Johan Albrecht I van Solms-Braunfels en Agnes van Sayn-Wittgenstein. Haar kindertijd bracht zij door op het slot Braunfels aan de Lahn.
Op 18 jarige leeftijd kwam zij als hofdame in het gezelschap van Frederik V van de Palts, de 'winterkoning', naar Den Haag. Hier leerde zij Frederik Hendrik kennen, wiens achternicht zij was. Zij trad op 4 april 1625 met hem in het huwelijk. Frederiks broer Maurits had dit op zijn sterfbed aan hem gevraagd.
Uit hun huwelijk werden negen kinderen geboren, van wie vier de volwassen leeftijd niet bereikten:
- Willem II van Oranje (1626-1650) (stadhouder)
- Louise Henriëtte van Nassau (1627-1667), gehuwd met keurvorst Frederik Willem I van Brandenburg
- Henriëtte Amalia van Nassau (1628)
- Elisabeth van Nassau (1630)
- Isabella Charlotte van Nassau (1632-1642)
- Albertine Agnes van Nassau (1634-1696)
- Henriëtte Catharina van Nassau (1637-1708)
- Hendrik Lodewijk van Nassau (1639)
- Maria van Nassau (1642-1688)
Toen Frederik Hendrik na het overlijden van zijn broer prins Maurits stadhouder werd, nam zijn invloed sterk toe. Hiermee groeide ook de invloed van Amalia.
Frederik Hendrik en Amalia wisten het Haagse hofleven aanzienlijk uit te breiden. De bouw van een aantal paleizen, waaronder
Huis ten Bosch en het Hof van Solms in Oirschot, volgde. Amalia was de stuwende kracht achter het huwelijk van haar zoon Willem II met Maria Henriette Stuart. Na de dood van haar zoon nam zij de voogdij van haar kleinzoon Willem III op zich.
Na het overlijden van haar echtgenoot stond in 1649 Filips IV van Spanje het grondgebied van Turnhout aan haar af.
Amalia Solms, van
Zeeland (provincie)
Zeeland is een provincie in zuidwest Nederland. De provincie bestaat uit een aantal (schier)eilanden en een strook vasteland langs de grens met België. De naam 'Zeeland' is hiervan afgeleid.
Geografie
België
De schiereilanden en de voormalige eilanden zijn:
- Zuid-Beveland (schiereiland samen met Walcheren)
- Walcheren (schiereiland, grenst alleen aan Zuid-Beveland)
- Noord-Beveland (voormalig eiland)
- Tholen (voormalig eiland)
- Schouwen-Duiveland (voormalig eiland)
- Sint-Philipsland (schiereiland)
- Zeeuwsch-Vlaanderen dat eigenlijk geen eiland of schiereiland is, maar alleen door een tunnel of over land (België) te bereiken is
De belangrijkste zeearmen tussen de (schier)eilanden zijn:
- Westerschelde tussen Zeeuwsch-Vlaanderen en Walcheren / Zuid-Beveland
- Veerse Meer tussen Noord-Beveland en Zuid-Beveland / Walcheren.
- Oosterschelde tussen Noord-Beveland / Zuid-Beveland en Schouwen-Duiveland. De eilanden Tholen en Sint-Philipsland splitsen de Oosterschelde in een noordelijke en zuidelijke arm.
- Grevelingen tussen Schouwen-Duiveland en het Zuid-Hollandse Goeree-Overflakkee
De hoofdstad is Middelburg. Vlissingen en Terneuzen zijn belangrijke havenplaatsen met grote industriegebieden. Goes ligt centraal in Zeeland. Deze vier plaatsen zijn met 30000-50000 inwoners de enige grote plaatsen in Zeeland. Andere grotere plaatsen, met ruim 10000 inwoners, zijn Hulst, en Zierikzee. Daarnaast zijn er veel kleine historische stadjes, zoals Veere, Tholen en Sluis, en vele dorpen en gehuchten.
In Zeeland is er vooral veel akkerbouw. Daarnaast is er fruitteelt in de zogenaamde Zak van Zuid-Beveland, bloementeelt op Tholen, en zijn er grote kassencomplexen in de buurt van Rilland en Kapelle.
In Zeeland is er met name kleigrond, doorsneden met vaarten en (voormalige) kreken. In het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen is er zandgrond. Buiten de dijken liggen schorren en slikken. Langs de kust zijn er duingebieden. Op Schouwen-Duiveland is er een zeer breed duingebied. Ook aan de kust van Zeeuws-Vlaanderen en de noordelijke kust van Walcheren zijn er brede duingebieden. Het duingebied aan de zuidelijke kust van Walcheren is zeer smal.
Gemeenten
slik
Zie ook:
- Lijst van steden en dorpen in Zeeland
- Lijst van voormalige gemeenten in Zeeland
- Lijst van gouverneurs en Commissarissen van de Koning(in) van Zeeland
- Zeeland, voor ander betekennisen van Zeeland
Geschiedenis
Zeeland
Zeeland werd al voor de tijd van de Romeinen bewoond. Uit die tijd stammen ook de beelden van o.a. de Godin Nehalennia, die door vissers in de Oosterschelde zijn gevonden.
Sinds de Middeleeuwen is de strijd tegen het water een rode draad door de geschiedenis. Aanwinning en verlies van land wisselden elkaar af. Vrijwel de hele provincie (behalve de duinstreek) ligt op of onder zeeniveau. Het landschap is een lappendeken van polder(tje)s en dijken. De geografie van Zeeland is in de loop van de tijd grondig gewijzigd. De vele kleinere eilanden zijn langzamerhand samengegroeid tot de grotere (schier)eilanden die we nu kennen. Andere voormalige bewoonde gebieden staan nu onder water (o.a. verdronken land van Saeftinge).
Tijdens de 16e en 17e eeuw heeft Zeeland, evenals Holland, een grote bloeiperiode doorgemaakt. Een aantal nu vrij kleine steden (zoals Middelburg, Vlissingen, Goes en Zierikzee) speelden toen een significante rol in de Lage Landen. Vanuit Zeeland was er veel zeevaart: visserij, koophandel (waardoor Zeeland een koloniaal en slavernijverleden heeft), en ook voor oorlogsdoeleinden.
Met de komst van de spoorwegen werden Zuid-Beveland en Walcheren in de 19e eeuw door middel van dammen met het vasteland van Noord-Brabant verbonden. Sinds 1870 zijn Vlissingen, Middelburg en Goes per trein met Bergen op Zoom en Roosendaal verbonden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Zeeland verschillende keren van strategisch belang geweest. Hierdoor hebben een aantal steden en gebieden veel te lijden gehad onder gevechten, bombardementen en inundaties. Met name het aanzien van het eiland Walcheren en de stad Middelburg is hierdoor grondig verandert.
Een met name in de jaren '50 politiek beladen onderwerp was de kwestie van de Vrije Veren over de Westerschelde. Vooral in Zeeuws-Vlaanderen zorgde dit voor de nodige commotie.
In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 werd Zeeland getroffen door de Watersnoodramp van 1953. Om een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen, werden vanaf 1960 de Deltawerken uitgevoerd. Een neveneffect hiervan was dat de verbindingen met de rest van Nederland aanzienlijk werden verbeterd. Ook hierover was veel rumoer, met name over de afsluiting van de Oosterschelde. In 1987 werden de Deltawerken voltooid. De economische en sociale structuur van de Zeeuwse eilanden is door de komst van de vaste oeververbindingen sterk veranderd. Het vroeger geïsoleerd liggende gebied is nu binnen een uur te bereiken vanuit de diverse grote steden. Het toerisme heeft een grote vlucht genomen.
Taal
Zeeland bestond voorheen uit een aantal geïsoleerde eilanden. Het is dus niet verwonderlijk dat elke streek zijn eigen dialect heeft. Toch vertonen de Zeeuwse eilanden, met Goeree-Overflakkee, een relatieve eenheid in taal. Het Zeeuws is in wezen een overgang van het Hollands naar het West-Vlaams. In Zeeuwsch-Vlaanderen spreekt men dialecten die sterk van het Zeeuws afwijken: West-Vlaams in het westen en midden, Oost-Vlaams rond Hulst. In een aantal dorpen is het dialect nog oppermachtig.
Cultuur en folklore
Vooral het agrarische Zeeland heeft heel lang zijn eigen cultuuruitingen kunnen vasthouden. Bekend zijn de Zeeuwse klederdrachten, die nu nog wel door oudere vrouwen worden gedragen en bij speciale gelegenheden veelvuldig worden aangetrokken. De boeren op Walcheren onderhouden de traditie van het ringsteken: op een feestdag in augustus probeert men gezeten op een (Zeeuws) paard een lans door een ring te steken. Ook de streekproducten, zoals de boterbabbelaars en de bolussen, worden sterk met Zeeland geassocieerd en vinden bij toeristen gretig aftrek. Verder worden de dialecten (zie boven) tot het Zeeuwse cultuurgoed gerekend, en associeert men de provincie sterk met de Gereformeerde Gemeenten.
Wapen
Gereformeerde Gemeenten
Het Zeeuwse wapen laat een leeuw zien, die worstelt met de golven. De wapenspreuk luidt Luctor et Emergo (Latijn voor 'ik worstel en kom boven'). De relatie tussen wapen en spreuk lijkt overduidelijk, maar schijn bedriegt. Eigenlijk bestaat het Zeeuwse wapen uit twee gedeelten: de bovenste helft toont een 'klimmende leeuw', voor de helft afgebeeld, en de onderste helft toont geen zee, maar zes golvende banen. Bovendien slaat de tekst niet op het gevecht met de zee, maar op het gevecht met Spanje in de Tachtigjarige oorlog.
Infrastructuur
Een architectonisch hoogstandje is de Zeelandbrug die sinds 1965 Schouwen-Duiveland met Noord-Beveland verbindt. Het was enige tijd de langste brug ter wereld.
Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen worden sinds 2003 verbonden door de 6600 m lange Westerscheldetunnel. De veerdiensten over de Westerschelde werden daardoor opgeheven.
Bekende Zeeuwen
- Jan Peter Balkenende, politicus
- Buys Ballot, natuurkundige
- Danny Blind, voetballer
- Jacob Cats, dichter en jurist
- Honoré Colsen
- Johan Hendrik van Dale, schoolmeester en grondlegger van de Dikke Van Dale
- Dick Dees, politicus
- Rinus Ferdinandusse, schrijver
- Wim van Hanegem, voetballer
- Leo van de Ketterij, gitarist en componist
- Carolyn Lilipaly, presentatrice
- Theofiel Middelkamp, wielrenner
- Geert van Oorschot, uitgever
- Jan Raas, wielrenner
- Jo de Roo, wielrenner
- Michiel de Ruyter, admiraal
- Annie M.G. Schmidt, schrijfster
- Harmen Siezen, nieuwslezer
- Annelies Verstand, politica
- Hans Warren, schrijver
Categorie:Zeeland
ja:ゼーラント州
ScheldeOnder de term Schelde vallen de volgende artikelen:
- Schelde, een rivier die ontspringt in Noord-Frankrijk en door Vlaanderen via Antwerpen naar de Noordzee stroomt. Zie ook Stroomgebied van de Schelde.
- Westerschelde, een zee-arm in de provincie Zeeland, omgeven door de eilanden Noord-Beveland,Walcheren en Zeeuwsch-Vlaanderen.
- Oosterschelde, een zee-arm in de provincie Zeeland, omgeven door de eilanden Schouwen-Duiveland, Tholen, Sint Philipsland, Noord-Beveland en Zuid-Beveland.
- Schelde-Rijnkanaal, een kanaal die loopt van Antwerpen naar het Volkerak.
- Zeekanaal Brussel-Schelde, een kanaal die loopt van Brussel naar de Schelde.
- Koninklijke Schelde Groep, een Vlissingse scheepswerf.
Sas van GentSas van Gent is een plaats in de Nederlandse gemeente Terneuzen, juist aan de Belgische grens. Het ontleent zijn industriële betekenis aan de aanwezigheid van het Kanaal Gent-Terneuzen. Tot 2003 was de plaats een zelfstandige gemeente.
Geschiedenis
De naam Sas van Gent ontstond toen de stad Gent een doortocht zocht tot de zee. Keizer Karel V gaf toestemming om de Graaf Jansdijk te doorbreken met een sluis of sas. De eerste steen werd gelegd op 19 augustus 1551.
Categorie:Plaats in Zeeland
categorie:Terneuzen
categorie:Voormalige gemeente in Zeeland
Vlaanderen
Vlaanderen is de noordelijke deelstaat van België. Het Nederlands is er de officiële taal en de inwoners worden Vlamingen genoemd.
De naam 'Vlaanderen' verwijst zowel naar de Vlaamse federale staat (de 'Vlaamse gemeenschap' in maatschappelijk/sociologische zin), als naar de bestuurlijke instellingen, de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest. De bestuurszetel van Vlaanderen is gevestigd te Brussel, hoewel deze stad ook een gewest vormt, naast het Vlaamse en het Waalse gewest.
Het hedendaagse Vlaanderen mag niet verward worden met het historische graafschap Vlaanderen. Dat omvatte ruwweg de provincies Oost-, West-, Frans- en Zeeuws-Vlaanderen. In Frankrijk wordt de term 'Flandre' ook gebruikt als het geheel van de Franse departementen 'Nord' en 'Pas-de-Calais' en het Belgische Vlaanderen.
Vlaamse provincies
:1 Antwerpen
:2 Limburg
:3 Oost-Vlaanderen
:4 Vlaams-Brabant
:5 West-Vlaanderen
Naast deze vijf provincies kent Vlaanderen ook een specifiek intermediair bestuur voor de Vlamingen in Brussel en hun instellingen, de Vlaamse gemeenschapscommissie ('VGC').
Geografie
- Bestuurszetel: Brussel
- Grootstedelijk gebied: Vlaamse Ruit
- Grote steden: Antwerpen, Gent, Mechelen, Leuven, Hasselt, Brugge
- Zie ook: Lijst van Vlaamse gemeenten
- Oppervlakte: 13.522 km²
- Inwoners: 6 043 161 (2005)
- Kustlijn: 66 km
Klimaat en landschap
Er zijn twee klimaattypes: Een echt zeeklimaat aan de kust en een stukje landinwaarts en in Midden-Vlaanderen en de Kempen een gewijzigd zeeklimaat.
Het landschap van Vlaanderen wordt algemeen omschreven als het deel van België dat laag België genoemd wordt, met aan de kust een zandstrand en een duinenstrook gevolgd door vruchtbare polders. Naar het oosten toe komt men in de Kempen met dennenbossen.
De belangrijkste rivier is de Schelde, die via Nederland in de Noordzee uitmondt.
Politiek
Vlaanderen is sinds de staatshervorming een deelstaat van België, met een eigen regering, een eigen parlement, een eigen begroting en (eerder beperkte) eigen inkomsten. Het Vlaams Parlement wordt om de 5 jaar verkozen. Het heeft wettelijke bevoegdheden in de regio Vlaanderen én voor alle instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, zoals alle Nederlandstalige scholen (met inbegrip van deze in Brussel), maar ook voor de Franstalige scholen in Vlaamse faciliteitengemeenten. Zij duidt tevens de ministers van de Vlaamse regering aan.
De bevoegdheden van de Belgische federale overheid en deze van de Vlaamse (en andere) deelregeringen worden vastgelegd door democratisch overleg tussen de verschillende gemeenschappen en evolueren nog steeds. In Vlaanderen wordt echter aangedrongen op constitutieve autonomie. Vlaanderen wil zijn eigen fiscale, bestuurlijke, lokale en intermediaire zaken zelf regelen. De bevoegdheden die Vlaanderen nu heeft zijn vastgelegd in de Belgische Grondwet en de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen.
Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen
Vlaanderen besliste in 1980 om de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest samen te voegen. Het heeft nu één Vlaams Parlement en één Vlaamse regering. De Vlaamse regering heeft haar zetel in Brussel, net zoals de Franse Gemeenschap.
- Vlaams Parlement: 124 Vlaamse volksvertegenwoordigers die om de vijf jaar rechtstreeks worden verkozen (recentste verkiezing: 13 juni 2004).
- Vlaamse regering: benoemd door het Vlaams Parlement met ten hoogste elf ministers en geleid door de minister-president.
- Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap: omvat alle klassieke departementen van alle ministeries samen.
- Inzake de gewestbevoegdheid is het Vlaams Gewest op zijn grondgebied bevoegd voor 'grondgebonden' materies als economie, werkgelegenheid, wegen, ruimtelijke ordening en milieu. Voor vele van deze bevoegdheden moet het echter de bevoegdheid delen met de Belgische regering. Daarenboven heeft Vlaanderen zeer weinig eigen fiscale inkomsten. Het is -net zoals de andere deelstatelijke overheden- in hoge mate afhankelijk van de Belgische schatkist.
- De Vlaamse Gemeenschap omvat alle inwoners van het Vlaams Gewest én die inwoners van het tweetalig Brussels Hoofdstedelijk Gewest die Nederlands spreken. Het is bevoegd voor taal, cultuur, onderwijs en de zogenoemde 'persoonsgebonden materies', welzijns- en gezondheidszorg. Blijkt echter dat de Belgische overheid nog aanzienlijke bevoegdheden behield en dat zij veruit de meeste middelen blijft controleren. Ook financieel blijven Belgische instellingen nog steeds oppermachtig.
Vlaanderen beschikt dus, in vergelijking met andere deelstaten in federale landen zoals Canada, Zwitserland, Duitsland en de VS, over minder bevoegdheden en over veel minder fiscale autonomie. Zo behoudt de nationale wetgever de bevoegdheid over de volledige sociale zekerheid, daar waar de meeste andere federale staten hierin een gedeelde verantwoordelijkheid voor nationale en deelstatelijke overheden kennen. Op andere domeinen gaat de autonomie dan weer veel verder dan in andere federale Staten. Zo zijn in België de deelstaten autonoom bevoegd om verdragen te sluiten, waar dat in andere federale Staten enkel kan onder toezicht en mits goedkeuring van de federale overheid.
Vlaanderen blijkt ook over weinig autonomie te beschikken inzake de feitelijke keuze van haar regeringscoalitie. Tot nu toe dwongen de grote partijen steeds éénzelfde coalitie af als in de nationale regering. Hierin is verandering gekomen in 2004, toen de deelstaatverkiezingen voor het eerst niet meer samenvielen met de federale verkiezingen.
Door deze tekorten vertoont de Belgische staat nog steeds sterke unitaire kenmerken, én tegelijk ook vele federale en zelfs enkele confederale kenmerken (zoals de noodzakelijke dubbele meerderheden nodig voor wijzigingen aan een bijzondere wet).
Departementen
Op Vlaams niveau worden ministeries departementen genoemd. De Vlaamse overheid kent zeven departementen. De meeste departementen worden weer onderverdeeld in administraties.
De departementen van de Vlaamse overheid zijn:
- Departement Coördinatie
- Departement Algemene Zaken en Financiën
- Departement Wetenschap, Innovatie en Media
- Departement Onderwijs
- Departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
- Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw
- Departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN)
Politieke partijen
Gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw werd de politiek in Vlaanderen -grotendeels onder het 'unitaire, Belgische bewind'- gedomineerd door de christelijke, socialistische en liberale partijen (toen CVP, BSP en PVV). Deze drie zijn sterk verbonden met aanverwante syndicale en sociale organisaties. Men spreekt voor die conglomeraten over de 'zuilen'. Ze bestaan ook langs Franstalige kant. De zuilen slaagden er in grote mate in om de normale democratische en bestuurlijke regels naar hun hand te zetten. Zo verdeelden in het midden van de 20ste eeuw bijna alle benoemingen in openbare diensten onder mekaar.
Anno 2005 is deze verregaande politisering enigszins teruggedrongen. De kwalijke effecten ervan zijn door wetenschappers voldoende aangetoond: hogere openbare uitgaven dan in andere vergelijkbare landen (de West-Europese democratische rechtsstaten); eerder lagere kwaliteit van de openbare dienstverlening en tragere aanpassingen aan maatschappelijke evoluties.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond ook een Vlaamsgezinde partij, de Volksunie. Deze raakte wel soms in de regering en werd zelfs een middelgrote partij. Aan het begin van de 21ste eeuw splitste deze partij zich op in een eerder links-liberale vleugel (Spirit)en een nationalistische vleugel (N-VA). Spirit sloot in 2002 een kartel met de SP.A en N-VA deed in 2004 hetzelfde met de in de in CD&V omgedoopte christelijke volkspartij (CVP).
In de jaren zeventig ontstond ook één van de eerste groene partijen in Europa, Agalev (een letterwoord voor Anders Gaan Leven). Deze haalde als eerste groene partij zelfs volksvertegenwoordigers. Ze maakte deel uit van enkele regeringen en oefent nog steeds een zekere invloed uit; ze kampt echter met overlevingsproblemen sinds haar laatste regeringsdeelname. Op 15 november 2003 koos Agalev voor een nieuwe naam: Groen!.
In ongeveer dezelfde periode ontstond ook het Vlaams Blok. Het groeide gestaag, maar werd om zijn racistisch gedachtegoed na zijn grote | | |